EU verdeeld over Kosovo? Helemaal niet

Een aantal EU-landen heeft Kosovo erkend, andere wachten, weer andere erkennen niet. Maar de EU is niet verdeeld, zeggen alle ministers die de kwestie gisteren bespraken.

Europa verdeeld? Waarom? Maxime Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, houdt na een dag vergaderen een vel papier omhoog met een verklaring. „Dít is het gemeenschappelijke standpunt”, zegt hij. ,,We zijn dus eensgezind.”

Kosovo, klonk het al maanden door de gangen van de Europese Unie. Iedereen die het nieuws volgde wist dat de Kosovaren zich onafhankelijk zouden gaan verklaren. En iedereen in Brussel wist dat dat een belangrijke test zou worden voor de EU. In het verleden zorgde de erkenning van andere brokstukken van voormalig Joegoslavië – Slovenië, Kroatië – al voor verdeeldheid in Europa.

Deze keer is Europa geslaagd voor de test, was de boodschap na een ontmoeting van ministers van Buitenlandse Zaken gisteren in Brussel. Maar het woord eenheid viel zo vaak, dat de boodschap een beetje verdacht werd. Europa was united in diversity, zoals een slogan van de EU luidt. Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland kondigden direct na de bijeenkomst in Brussel aan Kosovo te zullen erkennen. Vijf andere landen – Cyprus, Slowakije, Roemenië, Griekenland en Spanje – hebben daar grote moeite mee.

Spanje noemde de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo zelfs illegaal. „We zullen niet erkennen omdat we denken dat dit in strijd is met het internationale recht”, zei de Spaanse minister Miguel Angel Moratinos. Spanje, en andere tegenstanders van een onafhankelijk Kosovo, zijn bang dat erkenning een aanmoediging kan vormen voor afscheidingsbewegingen in eigen land. De regionale regering van Baskenland reageerde dan ook opgetogen op het nieuws uit Kosovo.

Echt als een verrassing kwam de verdeeldheid in Brussel niet. Diplomaten in Brussel temperden de verwachtingen al maanden door te benadrukken dat het erkenning geen EU-aangelegenheid is. De EU erkent geen nieuwe landen, dat doen de lidstaten zelf.

Maar in het verleden werd wel degelijk geprobeerd gemeenschappelijke afspraken te maken over het moment waarop lidstaten nieuwe landen erkenden. Hans van den Broek, minister van Buitenlandse Zaken toen Nederland in 1991 EG-voorzitter was, stelde eens voor een plechtige bijeenkomst te organiseren met vertegenwoordigers van de Baltische landen. Daarmee konden Europese landen tonen eensgezind te zijn over de erkenning van Estland, Letland en Litouwen. Ook toen kon een aantal lidstaten trouwens niet wachten.

De EU wilde voorkomen dat deze keer weer het beeld van verdeeldheid zou ontstaan. Kosovo is dichtbij, het ís Europa. En de EU probeert al jaren te komen tot een gemeenschappelijk buitenlandbeleid. In het nieuwe EU-verdrag, dat volgend jaar in werking moet reden, is daarom voorzien in een Europese minister van Buitenlandse Zaken – al mag die niet zo heten.

Toen de bijeenkomst gisteren was afgelopen, ontkenden de meeste betrokken dat er sprake was van verdeeldheid. Dimitrij Rupel, minister van Buitenlandse Zaken van de EU-voorzitter Slovenië, zei bijvoorbeeld „gelukkig” te zijn met de uitkomst: „We zijn er in geslaagd te reageren op een historische gebeurtenis.” Over de erkenning was Kosovo was hij eerlijk. „Sommige lidstaten zullen dat vandaag doen, andere over een aantal weken, en weer andere misschien wel nooit.”

De eenheid bestond er gisteren uit dat de snelle erkenners ditmaal zo beleefd waren te wachten tot de bijeenkomst in Brussel was afgelopen. Dat was zo afgesproken.

De Franse minister Bernard Kouchner had zichtbaar moeite zich aan die afspraak te houden. Bij de VIP-ingang van het gebouw waar de ministers elkaar ontmoetten noemde hij ’s morgens, vóór de vergadering, de onafhankelijkheid van Kosovo „een groot succes voor Europa, voor de Kosovaren en zeker geen verlies voor de Serviërs”.

Tijdens de vergadering bereikten de ministers overeenstemming over een gemeenschappelijke verklaring. Daar stond in dat lidstaten „overeenkomstig nationale praktijken en internationaal recht zouden beslissen over hun relaties met Kosovo”. De EU-landen waren het er dus over eens dat ze het niet eens zouden worden.

Verder stelden de EU-landen in hun verklaring dat Kosovo een sui generis zaak is – een uniek geval. Andere afscheidingsbewegingen kunnen er dus geen rechten aan ontlenen. Maar dat overtuigde niet meteen alle tegenstanders van erkenning.

Na Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland volgde wel snel nog een reeks landen die aankondigden spoedig over te zullen gaan tot erkenning van Kosovo, waaronder: Italië, Zweden, België, Bulgarije, Finland, Ierland, Oostenrijk, Tsjechië en Polen. Nederland wacht. Minster Verhagen zei wel dat de „oude situatie”, van een Kosovo dat formeel bij Servië hoorde maar in de praktijk bestuurd werd door de VN, „niet kon voortduren”. Ook Nederland zal waarschijnlijk tot erkenning overgaan. Maar de Nederlandse regering wil eerst weten met wat voor grondwet Kosovo komt en wat daarin staat over de bescherming van de Servische minderheid.

Nieuwe lidstaten worden in Nederland erkend door de ‘rijksministerraad’, de ‘gewone’ ministerraad plus de gevolmachtigde ministers voor Aruba en de Nederlandse Antillen. Die komt op 29 februari bijeen.

In de verklaring van gisteren wordt steun uitgesproken voor „het Europese perspectief van de Westelijke Balkan”. Dat is diplomatieke taal om aan te geven dat zowel Servië als Kosovo op termijn zou kunnen toetreden tot de EU.

Maar kan de EU straks wel akkoorden sluiten met Kosovo wanneer dat land niet door alle lidstaten wordt erkend? Het omgekeerde is al jaren het geval: de EU praat met Turkije over toetreding, hoewel dat land één van de 27 lidstaten (Cyprus) niet heeft erkend. En de verdeeldheid over de juridische status van Kosovo was geen beletsel voor de EU om eerder al te besluiten daar een missie heen te sturen. Maar wat als een aantal EU-landen Kosovo over vijf jaar nog niet erkent? Minister Verhagen wil zich er niet druk over maken: „Dat zien we dan wel weer.”