Beelden

Terwijl ik naar de speelfilm In the Valley of Elah van Paul Haggis zat te kijken, moest ik steeds denken aan Jan Otte. Ik had hem gezien in het nog altijd onvolprezen interviewprogramma De Wandeling van Hella van der Wijst bij de KRO.

Wat een van de hoofdpersonages, een Amerikaanse soldaat in Irak, in die film overkomt, is ook Otte overkomen. Film en tv-programma zou je in een soort tweeluik achter elkaar kunnen vertonen. Ze verhelderen elkaar, ze vertellen min of meer hetzelfde verhaal vanuit een verschillende gezichtshoek.

Jan Otte werkte als hospitaalsoldaat voor het Nederlandse leger in Joegoslavië. Later werd hij ook uitgezonden naar Rwanda. Otte had in Joegoslavië al meer gezien dan goed is voor een gewoon mens. In grafkelders onder de kathedraal van Vukovar vond hij onverwacht de lijken van zeven geëxecuteerde mensen. In Rwanda kwam hij als hospik terecht in een kamp met 370.000 getraumatiseerde vluchtelingen. Een danteske hel waarin de mensen, kinderen vooral, om hem heen bij duizenden aan uitputting stierven.

„Heb je er moeilijkheden mee?” werd deze soldaten later in Nederland gevraagd. Dat viel voorlopig reuze mee. Otte ging bij een ambulancedienst werken, op een dag moest hij helpen toen bij Badhoevedorp in de mist tachtig auto’s op elkaar waren gebotst. Opeens was hij terug in Rwanda. De chaos, het lawaai, het gevoel van machteloosheid, hij kon er niet meer tegen en stortte thuis in.

Pas later, tijdens een militaire reünie, besefte hij wat er met hem aan de hand was, toen hij een arts over de zogenoemde posttraumatische stress-stoornis hoorde vertellen. Hij wist nu hoe zijn geestelijke beschadiging heette, maar daarmee was hij nog niet genezen. Er was nog steeds geen intimiteit met hem mogelijk, vertelde hij, emoties liet hij niet meer toe, hij had de deur naar zijn ziel op slot gedaan en de sleutel weggegooid. „Ik ben erg bang dat ik ga huilen, en dat ik dan niet meer ophoud.”

Wat mij in zijn verhaal vooral trof, was de nadruk op ‘de beelden’ die hij steeds weer zag. Wij, burgers die niets gruwelijks hebben meegemaakt, denken dat die beelden vanzelf wel zullen slijten, waarna alles weer enigszins goed komt. Maar dat hoeft helemaal niet. Zulke beelden liggen kennelijk ergens in de hersencellen zuurvrij opgeslagen en keren flardsgewijs met onverminderde kracht terug in nachtmerries en op onverwachte momenten overdag.

Hetzelfde geldt voor geuren. Otte kon in Nederland geen barbecue meer ruiken, want dan moest hij onmiddellijk aan de houtskoolvuurtjes van kokende Rwandezen denken.

Over dit alles gaat ook de film In the Valley of Elah, in deze krant terecht zeer lovend besproken door Bas Blokker en Arnon Grunberg. Heel af en toe produceert de veel gesmade commerciële Amerikaanse speelfilmindustrie meesterlijke films. Dit is zo’n film, mede dankzij de formidabele acteur Tommy Lee Jones als de vader van een jonge soldaat.

Deze soldaat wordt gesloopt door de beelden van de gruwelijkheden die hijzelf en anderen hebben aangericht. Hij vertelt er zijn vader iets van, huilend aan de veldtelefoon in Irak. Terug in Amerika gaat dat huilen niet meer, net als bij Jan Otte.

De beelden hebben de oorlog gewonnen.