‘Armoede beïnvloedt extremist sterker dan islam’

Het debat over radicalisering moet niet gaan over geloof, zegt de Vlaamse hoogleraar Rik Coolsaet, maar over sociale economie.

Nederland en Denemarken hebben relatief veel geradicaliseerde islamitische jongeren. In beide landen wordt het (politieke) debat over de integratie van moslims op opmerkelijk harde toon gevoerd. Hoewel het causale verband wetenschappelijk niet is te leveren, wil Rik Coolsaet niet spreken van toeval.

Nederland voert een religieus debat, meent de Belgische hoogleraar politieke wetenschappen die tal van boeken over jihadistische terreur schreef. De Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) constateerde vorige week ook een toename van islamofobie in Nederland. Daardoor raakt het debat vertroebeld, voegt Coolsaet eraan toe, en wordt de kern van het probleem, de radicalisering, niet onderkend.

Als Nederlandse politici en opiniemakers goed bij de buren zouden luisteren, zouden ze inzien dat hun Vlaamse collega’s nauwelijks spreken van ‘moslimterrorisme’. En de Walen al helemaal niet. Die spreken van ‘jihadistische terreur’. Het is niet juist om het feit dat sommige gelovigen hun religie extreem interpreteren toe te schrijven aan de religie zelf of aan de hele gemeenschap, meent Coolsaet. Bovendien maken de jihadisten de meeste slachtoffers in islamitische landen. „Wij in België kijken eerder naar iemands sociale omgeving dan naar zijn geloof.”

Coolsaet noemt het dan ook geen toeval dat een recent rapport van de Nederlandse inlichtingendienst AIVD, over het verband tussen de harde toon in het politieke debat en de radicalisering onder sommige moslimjongeren, is opgesteld door een medewerker die is geboren in België.

In de jaren voorafgaand aan de aanslagen op 11 september 2001 was Nederland extreem tolerant, zegt Coolsaet. Maar daarna verviel het land in het andere uiterste. België reageerde relatief rustig omdat het een „langere ervaring met jihadisten” heeft. Zij gebruiken België al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw als een „logistieke thuishaven in Europa”. Dankzij hun langere ervaring en kennis konden de Belgische terrorismebestrijders politici degelijk informeren over de achtergronden van de radicalisering. Dat heeft een relatief „reële toon” in het Belgische debat bevorderd. Die ervaring leverde ook doordachte onderzoeksdossiers op in strafzaken. Coolsaet telt wel zeventig veroordelingen in Belgische terreurdossiers sinds 1995. „De meeste verdachten die voor de rechter komen, worden daadwerkelijk veroordeeld.” 

Coolsaet zit ook in de zogeheten groep van experts inzake radicalisering die advies geeft aan de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie. „Ik bespeur veel frustratie binnen de Europese instellingen in Brussel, omdat ze het gevoel hebben dat ze niet in de kern van de zaak zitten.” De EU stelt regelmatig strategische plannen op voor de aanpak van radicalisme in Europa zonder dat er veel gebeurt. Jongeren radicaliseren immers op lokaal niveau, maar bestrijding van dat verschijnsel geschiedt veeleer op nationaal niveau. De EU zou wel moeten proberen de kloof te dichten tussen het Westen en de islamitische wereld, meent Coolsaet. „Europa heeft minder last van een negatief imago dan de VS.”

Europa heeft „dubbel pech”, stelt Coolsaet. Terwijl moslims overal ter wereld radicaliseren, heeft Europa ook nog eens te maken met problemen die voortvloeien uit migratie. Migranten uit de tweede en derde generatie zijn door hun hogere opleiding gevoeliger voor racisme en uitsluiting dan hun ouders. Als dat gecombineerd wordt met discriminatie, werkloosheid, schooluitval en slechte huisvesting vormt het een ideale basis voor radicalisering. Zeker als deze jongeren ook nog eens worstelen met hun identiteit.

Toch is Coolsaet optimistischer over de nabije toekomst van Nederland dan over die van menig ander land in Europa. Hij ziet Nederland niet meer terugkeren naar de onverschillige tolerantie. En door de harde toon in de discussie zijn Nederlandse moslims ook weerbaarder geworden. Anders dan hun leeftijdgenoten in België debatteren ze openlijk over radicalisme.