We kunnen doen wat we willen

Het cliché luidt dat we allemaal ook een ‘dader’ in ons hebben, een moordenaar, een agressor. Allemaal zouden we in staat zijn tot alles. Als je pech hebt komt daar dan ook nog dat ‘dunne vernisje van beschaving’ achteraan. Bah. Gratis wijsheid. Nooit veel zin in, te meer niet omdat voor je het weet daders en slachtoffers van plaats geruild hebben en dat lijkt me altijd geheel onjuist.

De documentaire To see if I’m smiling (Meisjes met dienstplicht) die vorige week op de televisie vertoond werd en die eerder op het IDFA vertoond en bekroond werd, laat een aantal heel gewone, aardige Israëlische meisjes aan het woord. Jong nog zijn ze, begin twintig. Hun toekomst ligt voor ze. Maar in hun hoofd zitten beelden die je niet graag in je eigen hoofd zou willen aantreffen. Want ze hebben dienst gedaan in de bezette gebieden en daar dingen gezien, en erger nog, dingen gedaan, of nagelaten, die ze liever niet gedaan of nagelaten hadden. „Het is daar allemaal zo anders”, zei een van de meisjes. En een andere zei: „Ik dacht: we zijn hier in het Wilde Westen. We kunnen doen wat we willen.”

Het leger in de bezette gebieden is een eigen wereld. In die wereld gelden een heleboel normale regels niet of worden niet nageleefd en niet gecontroleerd. Het leger is machtig, de jonge officieren zijn heel machtig. Die macht corrumpeert.

Sommige van de meisjes worden al meteen op hun eerste dag met rare dingen geconfronteerd. Er is een vrijgelaten gevangene door een groepje soldaten te pakken genomen en urenlang getreiterd en mishandeld. Een officier vraagt via het desbetreffende meisje om een officieel rapport van wat daar gebeurd is. Het rapport komt, en vertelt zonder omhaal: „We hebben wat lol getrapt met die Palestijn en daarbij is hij geslagen.” Met zo’n rapport, zegt de commandant, kan ik niet uit de voeten. Wat denk je dat er gebeurt als dit de internationale pers haalt? Laat die man een nieuw rapport schrijven. Het desbetreffende meisje moet bellen en om een andere versie van het rapport vragen. Ze loopt met het oude rapport in de hand naar haar kantoortje. Ze weet dat het telefoontje dat ze gaat plegen niet gepleegd mag worden. Maar ze doet het wel. En daarmee heeft ze de eerste stap genomen, de eerste stap in de wereld van de amoraliteit.

Elk van de meisjes had wel zoiets. Iemand beschuldigd van stenen gooien en zich daarna afgevraagd: heb ik dat écht wel gezien? Stel nu dat hij het níet gedaan heeft? Waarop degene tegen wie ze deze angst uitsprak zei: „Hij bekent wel.”

Een ander meisje zat alleen in een legervoertuig, ’s avonds. Een Palestijnse man zag haar en maakte obscene gebaren naar haar. Hij rende weg toen hij haar met soldaten zag terugkomen. Ze is hem achternagegaan. Zij en haar mannen hebben hem gepakt en afgeranseld.

Het meisje met het jongensachtige gezichtje en de zenuwachtig bewegende mond dat bijna uit idealisme naar de bezette gebieden ging met haar verpleegopleiding, moest lijken wassen. Lijken van doodgeschoten, soms zwaar verminkte mannen. Een lijk dat onder de stront zat omdat de man langzaam was leeggebloed en de controle over zijn spieren verloor. Een lijk met een erectie. „Hé grappig”, zei ze tegen haar vriendinnen in het leger. „Maak een foto van mij met dit lijk.” Ze zou die foto nu nog weleens willen zien, zegt ze, terwijl zenuwtrekken over haar gezicht schieten. „To see if I’m smiling.”

Al die meisjes hebben dingen gedaan waartoe ze zichzelf niet in staat achtten. Maar het was niet moeilijk. Want het is daar zo anders. Maar ze komen wel terug daarna, in de gewone wereld. En dan klinken zulke clichés als dat we allemaal tot van alles in staat zijn ineens heel anders. Als de pure, zuivere waarheid.

En al kijkende denk je: wat hebben wij toch weinig meegemaakt. Nooit in zulke omstandigheden verkeerd, gewoon kalm zitten denken: dat doe je niet. En kijkend naar zo’n documentaire – de maakster is zelf ook in het leger geweest en wist precies waar het over ging, dat zal wel de reden geweest zijn dat ze die meisjes zo openhartig aan het praten kreeg – weet je ineens: dat doe je wel. Dat doe je als de omstandigheden maar anders genoeg zijn. Groepsdruk, geweld alom, agressie ook jegens jezelf, werk dat je te vies en te vernederend voor jezelf en de ander vindt maar dat je toch moet doen, dat alles maakt een mens anders. In staat tot heel afschuwelijke dingen.

Het heeft niet zoveel zin om jezelf daarom alvast in het stof te werpen, al wordt zo’n denkbeeld als de erfzonde wel veel begrijpelijker als je hier even over doordenkt. Je kunt alleen maar hopen dat de omstandigheden je bespaard blijven.

Getuigenissen van slachtoffers die zich heel goed hebben gehouden, moreel hoog zijn gebleven, vergeving hebben weten te vinden voor de daders, die kennen we wel en die willen we ook wel naleven. Maar daders die vergeving hebben weten te vinden voor zichzelf? We willen niet leren van daders. We willen leren van slachtoffers – dat heeft iets moois en schuldeloos, hoe afschuwelijk en beschadigend het ook is om slachtoffer te zijn van wreedheden. Maar dader zijn – zelfs de gedachte is te angstaanjagend.

En daar zitten ze dan, de daders. Ze werpen hun lange blonde of donkere haren over hun schouder, ze glimlachen zenuwachtig, ze kietelen hun baby en ze moeten nog wel vijftig jaar verder leven met een zelfkennis die ons bespaard is gebleven.

Reageren kan op nrc.nl/vos (Reacties worden pas openbaar na beoordeling door de redactie.)