Van vechtjas tot premier van een vrij Kosovo

Jarenlang vocht Hashim Thaçi in het veld tegen het Servische gezag. Gisteren werd hij premier van een onafhankelijk Kosovo.

Het had weinig gescheeld of Hashim Thaçi, premier van Kosovo, had de uitroeping van de onafhankelijkheid niet als premier in Priština beleefd, maar als gevangene in een Servische cel. In juli 2003 werd hij gearresteerd op de luchthaven van Boedapest, op basis van een Servisch opsporingsbevel. Thaçi zat maar een paar uur gevangen: UNMIK, het VN-bestuur in Kosovo, kreeg hem vrij. Maar hij wordt nog altijd door de Serviërs gezocht, als oorlogsmisdadiger.

Er zit veel geweld in de biografie van de man die gisteren Kosovo naar de onafhankelijkheid leidde. Hij werd in april 1968 geboren in een dorp in de Drenica, het hartland van het Kosovaarse nationalisme. Hij studeerde geschiedenis en filosofie in Priština, werd leider van de studentenbond en organiseerde in 1989 betogingen tegen het Servische gezag. Toen Slobodan Miloševic dat jaar Kosovo zijn autonomie ontnam, leidde Thaçi de oprichting van een eigen ondergrondse ‘paralleluniversiteit’. Daarna vertrok hij naar Zürich, waar hij internationale betrekkingen studeerde.

Daar werd Thaçi een van de oprichters van de Volksbeweging van Kosovo (LPK), een marxistisch-leninistische partij die de vereniging van alle Albanese gebieden propageerde. In 1993 was hij medeoprichter van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK, aanvankelijk een losse groepering van slecht bewapende boeren, maar vanaf 1996 een serieus verzetsleger.

Thaçi c.s. braken met het geweldloze verzet van de Kosovaarse leider Ibrahim Rugova, een pacifist die het verlies van de autonomie beantwoordde met de vorming van een ondergrondse staat, met ondergrondse ziekenhuizen, scholen en universiteiten en zelfs een ondergrondse belastingdienst. Het UÇK pleegde aanslagen op Servische doelen en Albanese ‘collaborateurs’.

Thaçi – nom de guerre: Gjarpëri, de Slang – werd bij het UÇK verantwoordelijk voor het rekruteren, trainen en bewapenen van strijders en het vinden van geld. Hij werd ook de politieke vertegenwoordiger van het UÇK.

Geld vond Thaçi met zijn zogenoemde Drenica-groep, een ondergrondse organisatie die volgens sommigen tien tot vijftien procent van alle criminele activiteiten in Kosovo – de smokkel van auto’s, wapens, olie en sigaretten – controleerde.

Mensen die hem indertijd kenden beschrijven Thaçi als kil en meedogenloos, een man die een ijzeren discipline afdwong en overtredingen zonder genade afstrafte. Volgens de Serviërs was het Thaçi die op 25 mei 1993 nabij Glogovac een actie leidde waarbij twee Servische politiemannen werden gedood en vijf zwaar gewond. Hij zou later betrokken zijn geweest bij een andere aanslag, bij Sipolje, waarbij een Servische politieman werd doodgeschoten.

In 1999 publiceerde The New York Times een artikel, gebaseerd op een groot aantal getuigenverklaringen, over de executies van zeker zes ongehoorzame UÇK-commandanten door Thaçi. Een jaar later werd in een flat in Tirana een gemartelde en vermoorde Kosovaarse journalist, Ali Uka, gevonden. Hij had nauwe banden met het UÇK maar was ook kritisch. Hij deelde de flat op dat moment met Thaçi. Ooggetuigen maakten later melding van Thaçi’s betrokkenheid bij moorden op nog een handvol rivalen.

Of al die beschuldigingen kloppen is nooit bewezen: noch het Joegoslavië-tribunaal noch de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch heeft bewijzen tegen Thaçi gevonden.

In 1998 beantwoordden de Serviërs de steeds omvangrijker en beter gecoördineerde militaire acties van het UÇK met steeds grovere mensenrechtenschendingen. In februari en maart 1999 deed de NAVO in Rambouillet een laatste poging om de Serviërs tot inbinden te bewegen. Hoofd van de Kosovaarse delegatie was Hashim Thaçi – een jongeman van wie niemand ooit had gehoord. Hij lag van alle Kosovaren het langst dwars toen de Amerikaanse minister Madeleine Albright hun en de Serviërs een compromisvoorstel voorlegde. Maar Thaçi, die veel indruk maakte op Albright, zwichtte uiteindelijk wel – in tegenstelling tot de Serviërs. Hun nee maakte de oorlog onvermijdelijk. Die oorlog kostte de Serviërs de regio: in juni 1999 moesten ze Kosovo ontruimen en werd daar een VN-bestuur gevestigd. Interim-premier: Hashim Thaçi (tot 2000).

Premier werd Thaçi, inmiddels leider van de Democratische Partij van Kosovo, in januari van dit jaar, na een verkiezingszege in november en na keiharde oppositie tegen de zittende premier Agim Çeku – als opperbevelhebber van het UÇK ooit zijn militaire chef. Voor Thaçi was Çeku’s regering „een regering van armoede, corruptie en werkloosheid, wier enige programma het misbruik van publieke gelden is”. Hoe eerlijk Thaçi zelf is is een open vraag. Toen hij in 2004 zijn bezittingen moest opgeven meldde hij jaarlijks als parlementariër 5304 euro te ontvangen en 442 euro op zijn bankrekening te hebben staan. Toen hij in oktober 2007 opnieuw zijn bezittingen moest opgeven stond er 300.000 euro op zijn bankrekening. Zijn broer Gani (in wiens woning in januari 2000 één miljoen mark werd gevonden) controleert het bouwwezen in heel Kosovo.

Thaçi en Çeku hebben de afgelopen jaren veel van hun energie gestoken in het coördineren van de onafhankelijkheid met de VS en de EU en in het controleren van extremisten in Kosovo, die de naderende onafhankelijkheid zouden willen misbruiken voor pogroms tegen de Serviërs. De Ko-sovaren hebben na 1999 lang moeten wachten op actie van hun westerse bondgenoten. Dat geldt vooral voor de laatste twee jaar,toen moeizaam werd onderhandeld over Kosovo’s toekomst. Maar hun geduld, en dat van Thaçi en Çeku, ongeduldige vechtjassen bij uitstek, is toch beloond.