Taaletiquette

Sinds kort staat de vierde editie van Amy Groskamp-Ten Have’s bestseller Hoe hoort het eigenlijk? op internet (bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren). Voor de jongere lezers: Amy Groskamp-Ten Have gold generaties lang als de Miss Etiquette van Nederland. De eerste editie van haar boek verscheen in 1939. Binnen een maand waren er drie herdrukken nodig. In totaal verzorgde Groskamp-Ten Have twaalf edities van dit werk, dat later door anderen werd herzien.

Bij mijn weten is er nooit systematisch onderzoek gedaan naar de taalkundige informatie in etiquetteboeken. Terwijl hier juist op dit punt van alles te halen valt. Zo schrijft Groskamp-Ten Have niet alleen over correcte aanspreekvormen („Mevrouw-zonder-meer wordt alleen door ondergeschikten en winkelpersoneel gebezigd”), maar de vierde editie van haar boek bevat ook een uitvoerige lijst ‘Vreemde woorden en uitdrukkingen’.

Groskamp-Ten Have was geen liefhebber van moeilijk taalgebruik. „Onnoodig te zeggen”, schreef zij, „dat een overmatig gebruik van vreemde woorden onvaderlandslievend en min of meer belachelijk is.” Maar ja, je kwam ze voortdurend in de krant tegen. En dus nam zij er een lijst van op, een lijst die maar liefst dertien bladzijden beslaat. Het is een interessante opsomming, die ons van alles leert over de verbreiding van leenwoorden.

Weer interessanter wordt het als je in nog oudere etiquetteboeken over taalzaken leest. Neem bijvoorbeeld het boek Kleinigheden in de gezellige verkeering van C.F. Pockels uit 1820. Groskamp-Ten Have houdt het kort als het over fluisteren gaat. „Het fluisterend praten met één persoon wanneer anderen aanwezig zijn”, oordeelt zij, „is kwetsend voor het overige gezelschap en getuigt van gebrek aan opvoeding.”

Pockels wijdt maar liefst twaalf bladzijden aan fluisteren. Om vervolgens door te gaan over zaken als ‘Het luidruchtig spreken’, ‘Wanvoegelijke uitroepingen’ en ‘Te dikwerf herhaalde uitdrukkingen’.

Je zou kunnen denken dat de taalhistorische waarde van dit soort boeken beperkt is, omdat zij voornamelijk voorschrijven hoe het zou moeten en niet hoe het er in de praktijk aan toeging. Maar dat is een misvatting. Ook bij Pockels vinden we allerlei interessante taalobservaties uit de praktijk.

Het is goed om het nog eens tot je te laten doordringen: de eerste geluidsopnamen dateren uit het einde van de 19de eeuw. Van vóór die tijd moeten we uit allerlei aanwijzingen indirect afleiden hoe talen klonken.

Pockels was een Duitser – de meeste etiquetteboeken die in de negentiende eeuw in Nederland werden uitgebracht waren vertalingen of bewerkingen –, en hij stoorde zich aan „het te fijne, zachte en piepende stemgeluid” dat hij vooral bij „lieden van den hoogeren stand” hoorde. Het was hem sowieso opgevallen dat mannen en vrouwen uit de hogere stand vaak zo „erbarmelijk slecht hun hunne moedertaal spreken”.

Hoe kwam dat volgens Pockels? Omdat die hoge lieden „al de taalfeilen hunner minnen, meiden, bedienden en gewone onderwijzers dermate hebben overgenomen, dat zij zich deze tweede natuur naderhand niet weder kunnen afwennen”.

Bepaalden de hoogste standen dus de taalnorm? Nee, want zij waren vergiftigd door de onderlaag. Kennelijk moest je voor de ware taaletiquette indertijd bij de middenklasse zijn.

Ewoud Sanders