René Jacobs is de ster in opera ‘Giulio Cesare’

Opera Giulio Cesare van G.F. Händel door Nederlandse Opera/Freiburger Barockorchester o.l.v. René Jacobs. Gezien: 16/2 Stadsschouwburg, A’dam. Herh.: 19, 20, 22, 23/2. Inl.: www.dno.nl

Het lijkt onwaarschijnlijk, maar pas zaterdag maakte barokspecialist René Jacobs (61) zijn langverwachte dirigeerdebuut bij de Nederlandse Opera in de reprise van Händels opera Giulio Cesare. De Vlaamse Jacobs is al jaren de meest gevraagde en vernieuwende barokdirigent ter wereld, maar zijn komst naar Amsterdam liep meermaals mis. Tot Peter de Caluwe – voormalig casting-director van de Nederlandse opera, nu baas van de Brusselse Opera – hem strikte voor deze Giulio Cesare, die eerder deze maand al in Brussel te zien.

De door regisseurspaar Ursel en Karl-Ernst Herrmann technisch en psychologisch tot in de finesses uitgewerkte productie ging al in 2001 in première, ook in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Maar deze ‘herneming’ is in veel opzichten anders dan toen. Dat ligt voor een belangrijk deel aan de nieuwe cast, met de Cesare van countertenor Lawrence Zazzo als schoolvoorbeeld van authentieke, opwindende zangkunst. Niets ten nadele van Marijana Mijanovic met wie hij de rol alterneert, maar Zazzo raakt in swingende spektakelaria’s (Se in fiorito ameno prato) door stemkracht en originele versieringen aan hoe je je de impact van een castraat voorstelt.

Giulio Cesare is een opera van tegenstellingen. Liefdes- en vechtscènes lopen in elkaar over, rouw en lust tieren welig. Dat de uitwerking daarvan nu luchtiger overkomt dan voorheen, is mede de verdienste van Tania Kross (Tolomeo), die floreert in haar komische travestierol. Vanaf het moment dat hij/zij wordt ‘ontmand’ doordat de krullendos wordt afgerukt en er een biljartbalkale schedel tevoorschijn komt, weet je: dit is Tolomeo zoals hij moet zijn. Een letterlijk tegen alles en iedereen opboksende patjepeeër, die zich door de opdringerigheid van zijn eigen (machts-)geilheid ook een beetje belachelijk maakt.

Dat Kross’ stem in de allerlaagste regionen van de coloraturen soms iets aan kracht tekort komt, vergeet je dan graag. Christianne Stotijn is met haar Mahleriaanse geluid een ouderwetse, moederlijke Cornelia en de tegenpool van Kross; haar rouw en gekwetste trots zijn juist geloofwaardig door natuurlijk, ingetogen spel. Ook Rosemary Joshua (Cleopatra) en Luca Pisaroni (Achilla) met zijn smeltend verleidelijke bariton zijn sterke nieuwkomers.

René Jacobs, extreem perfectionistisch, dirigeert minder fel en met meer details dan Marc Minkowski. Hij maakt andere coupures en muzikale keuzen. Zo wordt de dappere wraakzucht van de jonge Sesto (een roerende Anna Bonitatibus) onderstreept met een baslijn die net zo sist en kronkelt als de slang in de tekst. Dat is een willekeurig voorbeeld, want Jacobs’ kracht is dat hij alle da capo-aria’s subtiel en met dramaturgisch geschraagde variaties uitwerkt. En het hem hoorbaar vertrouwde Freiburger Barockorchester ook in de recitatieven door kleuring en grapjes – Sesto valt na zijn bloedwraak flauw op een cartoonesk klavecimbel-glissando – geen seconde achterover laat leunen.