Mannetjes

Tja, Ajax. Wat moet ik ermee? Mijn moeder fluisterde na het doorknippen van de navelstreng in mijn oor dat Feyenoord mijn club was. Mijn neefjes uit Amstelveen, die waren voor Ajax. Zo simpel was het leven toen nog.

Sindsdien is er niet veel veranderd. Ik ben nog steeds voor Feyenoord en mijn neven zullen in hun hart wel voor Ajax zijn gebleven, al vermoed ik dat voetbal ze inmiddels gestolen kan worden.

Ben je als Feyenoorder in principe tegen Ajax? Ja. Althans, dat vertelde mijn moeder toen ze, daags na mijn warme welkom in de Rotterdamse Fortunastraat, met een schoon watje mijn navel desinfecteerde.

Ajax had een mooie tijd in de jaren zeventig en daarna kwam een glansperiode met Louis van Gaal. Ik was jaloers. Na 1995 was de koek op. Internationaal is Ajax al jaren een schim uit het verleden. Ajax praat, kankert, zoekt. Waarom blijft succes uit?

Tijd voor een rapport.

Ik zag de presentatie op televisie. Er stonden meer microfoons opgesteld dan bij een gemiddelde persconferentie van Hirsi Ali. Het uiterlijk van het rapport was teleurstellend; een laffe, witte kaft. Ajax-onwaardig, zouden ze in Amsterdam zeggen. Dat hoor je vaker: Ajax-onwaardig. Bij rellen. Bij vloekende spelers. Bij horkerige trainers.

Ajax mocht vooral geen reguliere, ordinaire club worden.

Ajax staat voor iets onbenoembaars, iets superieurs. Voetballers zijn godenzonen, het spel is from outer space. Er wordt niet gewoon in een stadion gespeeld – zoals bij VVV in De Koel, bij zo’n naam wil je onmiddellijk je voetbalschoenen aan – maar in een Arena waar een tegenstander voor de leeuwen wordt geworpen.

En maar wachten op het predikaat ‘koninklijk’.

Ajax is een voetbalclub – u weet wel: een elftal, een trainer, een veld, publiek en een kantine – maar daar was bij het verschijnen van het rapport niets van te merken. De voetballers hadden, daags ervoor, prima hun werk gedaan: Sparta opgerold met 6-2.

Mannetjes.

Ik zag mannetjes. Veel mannetjes. Mannetjes van het bestuur, mannetjes van vroeger, mannetjes van de vijfde colonne. Een mannetje zei dat Ajax van de beurs moest. Het voorzittersmannetje wauwelde: „Wij voeren verschillende gesprekken, met verschillende mensen, met verschillende onderwerpen, maar wij doen nergens mededelingen over.”

Bij mijn oude amateurclub in Rotterdam hadden we ook een voorzitter. Mijnheer Klamer. Een magere verschijning, oud en aardig. Hij stond bij voorkeur in de regen naar wedstrijden te kijken. Ik herinner me geen enkele uitspraak, geen enkel besluit. Alleen zijn regenjas. Hij was een formidabel decorstuk en hij en wij genoten daarvan.

Voetbalvoorzitters van nu zijn praters. Het liefst op tv. Fout. Ze moeten hun mond houden, uit karton geknipt worden en doodstil op de eretribune naast de burgemeester gezet. Na negentig minuten opvouwen, het ballenhok in en wachten op een nieuwe thuiswedstrijd.

Na de presentatie van het rapport keek ik op de officiële site van Ajax. Mijn mond viel open. Het eerste beeld dat ik zag was een foto van een paar Ajacieden die in een lege Arena met elkaar een balletje trapten. Let wel, in clubkostuum. Vervreemd van publiek zag ik Huntelaar staan, in een donkergrijs pak.

Ik snap waarom zoveel Ajacieden warmte missen.

„We moeten weer laten zien dat we een echte voetbalclub zijn”, zei een mannetje. Stoppen met de beursnotering, stoppen met spelen in pak, stoppen met vergaderen, stoppen met mannetjes. Alleen nog maar tegen een bal trappen.

En voor het voorzitterschap op zoek naar ‘een type meneer Klamer’.