Hoofddoek op universiteit was nooit een issue

In Turkije zijn sinds vorige week hoofddoekjes aan de universiteit toegestaan. Erdogans prioriteit had echter de wet op vrijheid van meningsuiting moeten zijn, zegt Senay Özdemir.

De hoofddoekjeskwestie houdt de gemoederen in Turkije nog steeds bezig. De vraag of gelovige studentes al dan niet hun basörtü mogen dragen op de universiteit, blijkt een ware maatschappelijke splijtzwam.

Premier Erdogan en zijn aanhangers van de AKP presenteren de opheffing van het in 1982 ingestelde ingestelde verbod als een triomf van de democratie. Meer seculier ingestelde Turken zien in de grondwetswijziging een teken van de toenemende invloed van de religie op het openbare leven. Zij herinneren zich maar al te goed de retorische vraag die de huidige regeringsleider in 1996 al stelde toen hij nog eenvoudig volksvertegenwoordiger was: „Hoezo, koste wat kost seculier? Als het volk daar van af wil, kun je dat moeilijk tegenhouden.”

Voor een aanhanger van het principe dat iedereen die daartoe gekwalificeerd is gelijkelijk toegang tot het hoger onderwijs moet hebben, lijkt er op het eerste gezicht wel wat te zeggen voor opheffing van het hoofddoekverbod. Dat argument wordt dan ook met graagte uitgespeeld in het debat. Het heeft natuurlijk geen zin om, zoals de Turkse regering terecht doet, een campagne te houden om ouders te stimuleren hun dochters naar school te sturen en diezelfde meisjes een paar jaar later de toegang weigeren tot het hoger onderwijs omdat ze een hoofddoek dragen.

Toch is dat een drogreden. Tot een jaar of tien geleden was het al dan niet dragen van een hoofddoekje op de universiteit helemaal geen issue in Turkije. De meeste meisjes die wilden gaan studeren deden hem gewoon af (en sommigen droegen dan een pruik), en de enkeling die hem toch wilde ophouden werd geen strobreed in de weg gelegd.

De bestuurders van de universiteiten waren verstandig genoeg om te vinden dat een stukje textiel geen belemmering mocht zijn om hoger onderwijs te volgen. Dat de opheffing van het hoofddoekverbod nu zo’n controverse veroorzaakt, heeft alles te maken met de mentaliteit van de huidige regering.

Het was de ideologische voorloper van premier Erdogans AKP die in de jaren negentig de hoofddoek politiseerde. Alle pogingen van de Refah-partij om het hoofddoekverbod af te schaffen werden echter gedwarsboomd door het Constitutionele Hof, dat als een Cerberus hierover waakte. De Refah-partij legde zich daar in het verleden altijd bij neer. Maar de AKP gaat door waar de Refah-partij ophield.

Respect voor de trias politica spreekt in de Turkse politiek nog niet voor zich. Benoemingen op topposities zijn de laatste tijd steevast uitgevallen in het voordeel van kandidaten uit eigen kring, met als meest recent en in dit verband uiterst relevant voorbeeld de aanwijzing van een voorzitter voor de Hoger Onderwijs Raad, YÖK. Die moet straks in een sterk verdeelde academische wereld het gewijzigde hoofddoekjesbeleid uitvoeren.

Alleen al uit een oogpunt van politieke hygiëne is de opheffing van het hoofddoekverbod dus een dubieuze aangelegenheid. Maar de weerstand die ik tegen het besluit van de volksvertegenwoordiging voel, heeft ook een emotionele en morele component.

Ik was er namelijk altijd trots op dat Turkije seculier was, omdat je aan de buitenkant niet kon zien wie op welke manier zijn of haar geloof beleefde. Dat deed er ook niet toe. Het geloof behoorde tot de privésfeer, niet tot het openbare leven.

Daarom deel ik de angst van veel vrouwelijke studenten die hun haren in vrijheid laten wapperen. Zij zijn bang dat hun medestudenten met hoofddoek op hen neer zullen kijken. Zij zijn bang dat de ophef van dit verbod misschien wel kan leiden tot volgende stappen. Het zal niet lang meer duren of hun islamitische zusters zullen eisen alleen nog maar door vrouwelijke docenten begeleid te worden. Nog even en ze bedingen om separaat les te krijgen, mannen in een apart gebouw, vrouwen in een apart gebouw.

Deze angsten zijn in de huidige Turkse politieke constellatie niet irreëel. De AKP gebruikt nu de noemer ‘democratie’ om het laïcisme te laten varen. Maar het gaat dan wel om democratie in de meest beperkte zin van het woord, om de wil van de meerderheid.

Een echte democraat zou zich ook bekommeren om de rechten en de wensen van minderheden en het algemeen belang voor ogen houden. De protesten van de studentenorganisaties liegen er niet om, net zo min als die van de werkgeversvereniging Tüsiad. Die dringen er – bien étonnés de se trouver ensemble – op aan om de hoofddoek niet te gebruiken als schaamlap voor de echte problemen van de Turkse samenleving.

De hypocriete/hybride houding van Europa kan hier helaas niet achterwege worden gelaten. Aan de ene kant vinden we het doodeng dat Turkije een islamitisch land is (brrr! zoveel hoofddoekjes!) en aan de andere kant vinden we dat de Turken meer vrijheid van meningsuiting en religie zouden moeten toestaan (wat leidt tot opheffing van het verbod, en dus juist tot nog meer hoofddoekjes).

Europa ziet dus zowel het teveel aan hoofddoeken als een verbod op het dragen ervan als een gevaar. En als premier Erdogan werk maakt van de vrijheid van godsdienst door het hoofddoekverbod af te schaffen, maken wij hem in Europa uit voor enge fanaticus.

Een beetje dubbel is dat wel. Een schaamlap? Ja, hoe scherp dat woord ook contrasteert met het woord ‘hoofddoek’. Als premier Erdogan daadwerkelijk gelooft in de democratie en echt niet uit is op politieke macht, stelt hij zaken als de vrijheid van meningsuiting aan de orde. Dat zou pas democratisch en emancipatoir zijn.

Senay Özdemir is hoofdredacteur van SEN Magazine en bestuurslid van Women on Top.