Een dominee, verslaafd aan een plek op de eerste rij

Vriend en vijand zeggen dat Doekle Terpstra Jan Peter Balkenende wil opvolgen. Als minister-president. Zelf ontkent hij. Maar de rol van bemiddelaar bevalt. „Ik heb een nieuwe kant in mezelf ontdekt.”

Doekle Terpstra heeft geen chauffeur. „Er is er maar één die goed kan rijden en dat ben ik.” Hij lacht, maar hij meent het. Daarbij is zijn auto, een Renault Espace, zijn tempel. Het is dat hij nu moet praten, anders zou hij geluisterd hebben naar de podcast van Geert Maks In Europa. Of naar een van de 365 meditaties uit Johanna Domeks Benedictijnse Inspiratie.

Het is donderdag 14 februari, vijf uur. Gisteren heeft hij zijn voorstel voor een nieuwe politie-cao aan Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken aangeboden, vandaag vergaderde hij met de HBO-raad – daar is hij voorzitter van – en nu is hij onderweg naar Hilversum, waar hij om half zeven de hoofdgast zal zijn in het NCRV-radioprogramma Stand.Café. Maar hij vergeet op zijn routeplanner te letten en rijdt zo de file op de A12 richting Arnhem in. „Drommels. Dat gebeurt me nou nooit.”

Moet hij niet even bellen dat hij te laat komt?

„Nee hoor”, zegt hij. „Ze bellen mij wel.”

Dit is de man van wie vriend en vijand zeggen dat hij Balkenende wil opvolgen. Misschien wordt hij eerst nog burgemeester van Rotterdam, want daar komt een vacature vrij en het CDA (Terpstra is CDA’er) heeft in het burgemeester-monopoliespel op dit moment geen enkele grote stad. Maar dan: minister-president.

Zelf zegt hij dat het onzin is, hij zou het niet willen en niet kunnen. „Ik mis het abstractievermogen.” Maar de manier waarop hij zich presenteert doet vermoeden dat hij er vanbinnen anders over denkt. Of er in elk geval wel eens anders over heeft gedácht.

Hij is de grote samenbinder die Nederland oproept om nee te zeggen tegen de verwildering (Trouw, 30 november 2007) en weer verschillig voor elkaar te worden (Trouw, 2 januari 2008). „Verschillig in plaats van onverschillig. Ik vind dat zo’n prachtig woord.” Hij is de charismaticus die 200.000 mensen elkaar de hand liet vastpakken om zo hun verzet te demonstreren tegen de afschaffing van WAO, WW en VUT (Museum-plein, 2 oktober 2004).

Toen was hij voorzitter van het CNV en hij praat graag over wat hij nog steeds als het hoogtepunt van zijn carrière bij de vakbond ziet. De angst vooraf. Zou het hem lukken met die handen? De spanning van het moment zelf. Ik vreet jullie op, jullie gaan nu doen wat ik zeg. De euforie daarna en de bezorgde verbazing, want wat was dat in hem dat hij dit voor elkaar kon krijgen? Gelukkig wist hij dat het allemaal volstrekt integer was geweest.

Zoals hij ook weet dat hij een man voor de eerste rij is, vanaf de dag dat hij districtsbestuurder werd bij de Industrie- en Voedingsbond van de CNV in Rotterdam, op zijn vierentwintigste. Hij las het later in het psychologische rapport dat bij zijn sollicitatie van hem gemaakt was, maar hij had zelf ook al gemerkt dat hij iemand was die mensen mee kon krijgen, die energie en betrokkenheid uitstraalde, die authentiek was, niet bang, geen grijze muis. Een leider.

Zijn broers Evert en Sybren Terpstra zeggen dat Doekle dat altijd al in zich had. Hij is de oudste zoon in een gezin van zeven kinderen, met daarbij nog twee pleegkinderen uit de grote stad. Ze woonden in Witmarsum, Friesland. Zijn vader was een kleine boer die zijn bedrijf moest opgeven door de ruilverkaveling en op zijn zevenenvijftigste overleed aan longkanker. Zijn moeder was een stille, zorgzame vrouw die ’s morgens als eerste opstond om voor iedereen boterhammen te smeren.

Ze waren gereformeerd, dus maakten ze op zondagmiddag lange wandelingen. De vader praatte met zijn zoons – niet met zijn dochters – over de preek van ’s morgens en over de politiek. Wie het hardst praatte had het woord en de meeste kans om gelijk te krijgen. De Terpstra’s zeggen dat ze daar hun megafoonstemmen vandaan hebben.

Doekle Terpstra ging naar de mavo en de havo in Sneek, totdat hij werd weggestuurd wegens te veel spijbelen. Hij ging werken bij de boer, maar na een half jaar had zijn vader hem weer teruggeschreeuwd naar school, nu in Bolsward. Daarna ging hij, met lang haar en een snor, naar de toen net geopende christelijke sociale academie in Kampen.

Hij woonde in een huis met studenten – alleen mannen – van de theologische hogeschool en daar, zegt Ankie Til, deed hij wat hij van huis uit gewend was: discussiëren. Ankie Til, nog steeds een vriendin van Doekle Terpstra, zat ook op de sociale academie en zij woonde in een huis met Jolande, die later de vrouw van Doekle werd. Ze zegt dat Doekle er in die tijd nog over heeft gedacht om theologie te gaan studeren. Zijn broers en zijn vrienden – Sjors Fröhlich van de NCRV bijvoorbeeld – zeggen dat Doekle Terpstra eigenlijk een dominee is.

Maar dan wel een dominee met een politiek netwerk.

Uit Witmarsum kent hij Hans de Boer, ook een boerenzoon, later voorzitter van het MKB. In Kampen leerde hij Gerda Verburg kennen, een boerendochter, later CDA-minister van Landbouw. Door zijn werk bij het CNV raakte hij bevriend met Aart Jan de Geus, later CDA-minister van Sociale Zaken. En met Herman Wijffels, boerenzoon, later voorzitter van de SER en informateur. Doekle Terpstra leerde Jan Peter Balkenende kennen toen ze beiden in de commissie Bezinning Christelijke Vakbeweging zaten, in 1982.

Vooral voor die laatste twee had hij een enorme bewondering, dat zegt hij zelf ook. Dit waren mensen die naar de universiteit waren geweest, intellectuelen. Met hen ging hij, Doekle Terpstra, voorheen drop-out, eenvoudige hbo’er, om op voet van gelijkheid. Later bezette Jan Peter Balkenende de CNV-leerstoel aan de Vrije Universiteit. Soms nodigde hij Doekle Terpstra uit voor een gastcollege.

In 1997 werden ze allebei door Enneüs Heerma gevraagd om zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer. Heerma was fractievoorzitter van het CDA. Balkenende zei ja, maar Terpstra bedankte. Hij kon voorzitter van het CNV worden. En nu zou hij het niet meer willen. Geen zin om zich te schikken naar de fractiediscipline.

Er zijn mensen die zich afvragen of Doekle Terpstra het met die Museumpleindemonstratie tegen het kabinetsbeleid niet voor zichzelf verpest heeft bij het CDA. Want wie zat er toen op Sociale Zaken? Aart Jan de Geus. En wie was er minister-president? Jan Peter Balkenende.

Naar verluidt heeft Balkenende het hem allang weer vergeven. Bij Terpstra’s afscheid van het CNV, in april 2005, hield hij een toespraak waarin hij hem zo voor gek zette dat de hele zaal blauw lag van het lachen. Toen was dat ook weer klaar. Maar voor De Geus is Doekle Terpstra nog altijd veel te links voor de partij. En één CDA’er staat altijd voor een groep CDA’ers.

Het Benoemen en Bouwen-manifest is ook niet bij alle CDA’ers even goed gevallen, al zijn er weinig CDA’ers te vinden die dat hardop willen zeggen. Ze hebben daar „geen behoefte” aan, ze vinden het onderwerp „te delicaat”.

René Paas, Terpstra’s opvolger bij het CNV, zegt dat hij het „met geen letter van het manifest oneens” was. Maar hij zou het nooit zo gedaan hebben.

Anderhalve week geleden was Doekle Terpstra in Rotterdam om met raadsleden te praten over zijn Benoemen en Bouwen-manifest tegen de verwildering en voor verschilligheid. Het was de eerste keer dat hij zich in het openbaar verdedigde en volgens Ronald Sørensen van Leefbaar Rotterdamwas het geen toeval dat het in zíjn stad gebeurde. „Hij kwam solliciteren.”

Want met wie ging Doekle Terpstra buitengewoon vriendelijk en geïnteresseerd staan praten in de pauze? Met hem en met Peter van Heemst, samen de vertegenwoordigers van de meerderheid in de Rotterdamse gemeenteraad. Van Heemst is fractievoorzitter van de PvdA. „Haha”, zegt Sørensen. „Opeens had ik het door.”

Maar Leefbaar Rotterdam trapt er niet in. Daar blijven ze vinden dat een burgemeester door de bevolking gekozen hoort te worden en niet door de Haagse elite. Wat Sørensen ook zo stom vindt van Terpstra: dat hij denkt dat de achterban van Leefbaar Rotterdam ook de achterban van Geert Wilders is. „En dan dat begripvolle gezicht van hem”, zegt hij. „Vreselijk.”

Doekle Terpstra, in de file bij Utrecht, zegt dat hij zelf nog nooit aan het burgermeesterschap van Rotterdam gedacht had voordat hij naar die bijeenkomst ging. Tot zijn verrassing werd hij daar opeens geïntroduceerd als een van de kandidaten. Hij schudt nee, die post zou voor hem net iets te hoog zijn gegrepen.

Daarbij heeft hij de HBO-raad beloofd dat hij daar in elk geval tot 2009 zou blijven. Alleen in een uitzonderlijk geval zou hij ervan kunnen afwijken. Hij solliciteerde niet naar het burgemeesterschap van Utrecht, al was het hem gevraagd. Hij wilde geen commissaris van de koningin in Friesland worden, waar hij ook voor werd gevraagd. „Ik weet niet eens wanneer Rotterdam vrij komt.” Hij lacht en klapt in zijn handen als hij hoort dat het waarschijnlijk 2009 wordt. „Ha! Nou begrijp ik het.”

Het is tien voor half zeven als Stand.Café belt om te vragen waar hij blijft. „Mijn schuld”, roept Doekle Terpstra door de telefoon. „Ik zeg het jullie klip en klaar. Ik ben verkeerd gereden.” Ze moeten hem maar telefonisch interviewen. Hij draait om en rijdt naar Leerdam, waar hij woont.

Hij praat door over de beelden die mensen op je plakken als je een bekende Nederlander bent en die vaak weinig met de werkelijkheid te maken hebben. Want misschien, zegt hij, gaat hij na de HBO-raad wel iets heel anders doen. Alsnog theologie studeren, bijvoorbeeld. Het leven is maar kort en wat is er, als je nadenkt, nu eigenlijk echt belangrijk?

Goed, hij geeft toe dat dat de fantasie is van alle mensen die het erg druk hebben. En ook dat hij het waarschijnlijk niet zal kunnen, want niets is zo verslavend als die plaats op de eerste rij. Maar hij heeft door de onderhandelingen over die nieuwe politie-cao die hij nu gedaan heeft wel een nieuwe kant in zichzelf ontdekt. Die van bemiddelaar. Op hoog niveau, want hij is een man – als hij gaat schaatsen, wil hij de Elfstedentocht schaatsen.

Denkt hij aan een rol als die van Alexander Rinnooy Kan van de SER? Of die van Herman Wijffels, die uit de Verenigde Staten wordt gehaald als hier geen regeerakkoord kan worden bereikt?

Hij knikt. „Ik kan bruggen bouwen. Ik wacht niet tot de mensen aan de overkant een pijler slaan. Ik ben altijd bereid om dat zelf als eerste te doen.”

Kijk nu met die ogen naar het advies over de politie-cao dat hij de minister gaf. Agenten moeten een hoger loon krijgen en meer respect. Precies wat Rinnooy Kan in vorig jaar in zijn advies over de leraren zei. En kijk waar Doekle Terpstra zijn onderhandelingspartners uitnodigde. Nee, niet in Lauswolt, maar wel in een kasteel in de bossen bij Doorn.