Ashkenazy leidt Sibelius liefdevol

Klassiek Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Gehoord: 16/2 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 19/2 20 uur.

Tussen Sibelius’ Eerste symfonie uit 1899 en de Zevende symfonie die hij 25 jaar later schreef, ligt een wereld van verschil. De Eerste (opus 39) is veelvormig, heeft een ‘symfonische’ duur en schaal en is muzikaal redelijk conventioneel.

In de Zevende (opus 105) wordt alles in elkaar geschoven. De delen zijn niet langer gescheiden, het werk duurt maar twintig minuten en is ook muzikaal uitzonderlijk gecondenseerd. Het is vaak beschouwd als een uiterste, een persoonlijk ‘nec plus ultra’. Sibelius zou na voltooiing van de Zevende nog 33 jaar leven, maar vrijwel niets meer componeren.

Vaak wordt beweerd dat de Eerste een minder goed werk zou zijn en dat Sibelius zes symfonieën later – waarom ook niet? – een hogere, zo niet de hoogste graad van vakmanschap had bereikt.

Aan Vladimir Ashkenazy, die na een carrière als concertpianist met veel Beethoven en Chopin succesvol overstapte op een dirigentenloopbaan met onder meer veel Sibelius, lijkt die opvatting niet besteed. Hij dirigeerde zaterdag beide werken en toonde aan dat de Eerste – mits op de juiste wijze benaderd – niet onder hoeft te doen voor de Zevende.

Vooral het eerste deel van de Eerste symfonie, dat na een geladen Andante ma non troppo overging in een geconcentreerd Allegro energico, dirigeerde hij uiterst toegewijd. Met hoekige, abrupte en krachtige slagen bereikte hij paradoxaal genoeg dat de muziek op eigen kracht begon te vloeien en de oppervlakkige grilligheid ondergeschikt werd aan een organisch geheel.

De Zevende, die majestueus begon, miste over het geheel beschouwd Sibeliaanse weidsheid. Dat werd veroorzaakt door een vlakke dynamiek, een wat eenzijdige orkestklank en een te constant vibrato bij zowel strijkers als blazers. Het orkest volgde Ashkenazy verder goed in zijn natuurlijke, wat gematigde tempowisselingen, al waren in de intonatie geregeld individuele én groepsgewijze slordigheden te horen.

Dat was eerder ook het geval in Rakastava, opus 14, dat desondanks met zangerige glans (deel 1) en lichtvoetig (deel 2) werd uitgevoerd. In het derde en laatste deel, ‘Goedenavond... Vaarwel!’ werd indrukwekkend gesoleerd door concertmeester Arkadi Gutnikov. Het was middenin het concert een onverwacht hoogtepunt van de voorname, ingetogen ontroering waarin Sibelius soms excelleert.