Academisch tijdschrijven is zinloos en demotiverend

Aan de universiteiten wordt ingevoerd dat onderzoekers iedere minuut moeten verantwoorden. Dit helpt niets en is contraproductief, zeggen Domien Beersma en Leo Beukeboom.

Net als aan andere universiteiten wordt ook aan de Rijksuniversiteit Groningen dit jaar ingevoerd dat elke wetenschapper die betrokken is bij contractresearch, registreert hoeveel tijd hij aan welk project besteedt. Veel onderzoekers signaleren dat er ongewenste kanten zitten aan deze vorm van verantwoording van inzet. Ze pleiten er voor om contractresearch te beoordelen op de mate waarin prestatieafspraken worden nagekomen.

Terwijl de roep om minder regelgeving in de maatschappij steeds luider wordt, neemt haast onopgemerkt de wurgende invloed van administrateurs op de wetenschap hand over hand toe. Behalve dat elke bestede euro moet worden verantwoord, moet iedere onderzoeker nu ook elke minuut registreren die voor een project wordt ingezet. Aan elke universiteit worden momenteel mensen aangesteld die al die gegevens over ingezette onderzoekstijd verzamelen. Let wel: universiteiten hebben beperkte middelen, en deze urentellers worden betaald met geld dat anders aan onderzoek was besteed!

Het doel van het urentellen is dat aan subsidiegevers verantwoording kan worden afgelegd over de inzet van personeel. Daarbij gaat het vooral om personeel dat vanuit de universiteit wordt ingezet. Bij veel subsidies wordt de voorwaarde gesteld dat de universiteit evenveel mensuren op het project inzet als vanuit de subsidie worden betaald: de zogeheten matching. Voor de matching mogen geen overuren worden ingezet en efficiënt gebruik van tijd door twee dingen in één keer te doen telt ook niet.

Maar dit soort regels heeft ongewenste bijeffecten. Zo kan een onderzoeksafdeling slechts een beperkt aantal van dergelijke subsidies binnenhalen, want als alle uren van het universitaire personeel gebruikt zijn om de gevraagde matching te leveren is de koek op. Nieuwe projecten kunnen er dan niet meer bij. Door de krimpende omvang van de eerste geldstroom, waaruit universitair personeel wordt betaald, (Plasterks overheveling van 100 miljoen euro naar NWO) doet deze situatie zich steeds eerder voor. Dit is ongewenst. Met minder onderzoekers komt er minder kennis en expertise bijeen en is de kans op het ontstaan van nieuwe inzichten kleiner.

Maar er is meer. Wetenschappers leven in een competitieve wereld. Er zijn maar weinig vaste banen beschikbaar en voor een wetenschappelijke carrière moet je uitblinken. Je moet een natuurtalent zijn en daar bovenop veel tijd aan je werk te besteden. Iedere wetenschapper werkt daarom veel meer dan veertig uur. Dat doet hij niet voor de baas maar voor de eigen carrière.

Behalve dat die overuren niet worden betaald, mogen ze ook niet voor de matching geteld worden. Bij het invullen van de urenstaten wordt het de onderzoeker steeds weer ingewreven dat overuren niet worden gewaardeerd. Waarom zou je dan nog overwerken?

Voor elk onderzoeksproject moet vakliteratuur worden bijgehouden, wetenschappelijke bijeenkomsten bezocht, lezingen gegeven, etcetera. Als daar slechts de helft van de tijd aan zou worden besteed, zou elke subsidiegever benadeeld worden. Alle uren die aan dergelijke taken worden besteed zijn dus stuk voor stuk voor de volle 100 procent in het belang van elk project. Ze zouden daarom ten volle voor elk project moeten tellen, niet gedeeld over de projecten. Als een bakker een manier vindt om twee keer zoveel brood te bakken in dezelfde tijd berekent hij de klant toch ook niet de helft van de prijs?

Het is duidelijk dat urenschrijven de ontwikkeling van de wetenschap belemmert. Het kost formatieplaatsen, tijd, creativiteit, en ondermijnt het moreel. Dit helpt niet om meer Nobelprijzen naar Nederland halen, en het is nadelig voor de subsidiegevers. Bovendien wordt het beoogde doel van verantwoording van inzet niet gehaald, omdat het onmogelijk is te controleren of de geschreven uren daadwerkelijk aan het project zijn besteed.

Het doel van verantwoording van inzet moet dus op een andere manier worden bereikt. In het normale zakelijke verkeer vergelijkt de klant het te leveren product tussen verschillende leveranciers en maakt zijn keuze. De levering van het product is genoeg om tot betaling over te gaan. Niemand vraagt hoeveel uur er aan het product is gewerkt, of dat overuren waren, en welke investeringen voor het maken van het product gedaan zijn.

Waarom gebeurt dat dan wel in de wetenschap? Ook wetenschappelijke productie kan goed worden gedefinieerd. Er kan bijvoorbeeld afgesproken worden hoeveel publicaties geleverd zullen worden in tijdschriften van een goed omschreven niveau. Evenzo kunnen afspraken over andere aspecten van het onderzoek worden gemaakt. Men kan in een subsidiecontract afspreken of en hoe het subsidiebedrag wordt bijgesteld als de productie uiteindelijk meer of minder blijkt te zijn. Zulke afspraken dragen bij tot kwaliteit. Groepen die efficiënt met hun tijd omgaan, meer vrije tijd op het project inzetten, en een uitgebreid netwerk van samenwerkende wetenschappers hebben, bereiken het meest. Dat is een gezonde manier van werken. Uren tellen niet.

Domien Beersma is directeur Center for Behaviour and Neuroscience, Leo Beukeboom is directeur Center for Ecological and Evolutionary Studies, beiden aan de Rijksuniversiteit Groningen.