Aan de borst

Wie had kunnen denken dat ik me nog eens zou verdiepen in de voor- en nadelen van borstvoeding, terwijl ik niet eens een tweedelegvader (opgepast! – het zou jammer zijn als dit als ‘tweedelige vader’ werd gelezen) ben?

Toen ik vader werd, was er nog niet zo’n ingrijpend maatschappelijk debat over deze kwestie gaande. De baby kreeg borstvoeding of flesvoeding, en daarmee was de kous af. Ik weet heel zeker dat ik destijds mijn vrouw niet heb gewaarschuwd met de woorden: „Weet je wel dat er een borstvoedingsmaffia en borstvoedingsfundamentalisten bestaan?” Ze zou me bevreemd hebben aangekeken, het woord fundamentalist werd toen nog niet dagelijks te pas en te onpas gebruikt.

Het zijn begrippen die ik onlangs in een diepgravend artikel in Opzij tegenkwam. Ik wist niet wat ik las. Ik was destijds best blij dat mijn vrouw voor de borstvoeding koos, dan hoefde ik niet in de flesvoeding te participeren. Ook was er toen nog geen Heleen Mees die in deze krant overbezorgd schreef: „Vrouwen komen daardoor (door de borstvoeding – F.A.) zelf nauwelijks aan eten en slapen toe, en ze zien er een paar weken na de bevalling vaak uit als halve anorexiapatiënten.”

Dat laatste heb ik bij mijn jongste dochter, enkele maanden geleden bevallen van een stevige drinker, goddank nog niet hoeven constateren. Maar wat staat haar nog te wachten als we sommige deskundigen mogen geloven?

Uit alles wat ik er tot dusver over gelezen en gehoord heb, blijkt dat de borstvoeding een behoorlijk gepolitiseerd onderwerp is geworden sinds mijn kinderen uit de luiers zijn. Fundamentalisten tegenover toonmatigers, bovenwereld tegenover onderwereld. En wat mij daarbij vooral opvalt, is dat de echte experts, net als op de andere terreinen van de voeding, elkaar zo hard mogelijk de hersens inslaan.

Zo schreef emeritus hoogleraar kindergeneeskunde G. A. de Jonge vorig jaar in deze krant: „Kinderen met borstvoeding lopen in het eerste jaar minder kans op wiegendood, en bij oudere kinderen en volwassenen minder kans op suikerziekte, lymfoom, leukemie, de ziekte van Hodgkin, astma, overgewicht en vetzucht.”

Toemaar!

Ik begon het, toen ik dat las, onbegrijpelijk te vinden dat de borstvoeding nog niet wettelijk verplicht was gesteld als resultaat van een door premier Balkenende persoonlijk geleid beschavings- annex gezondheidsoffensief. („Normen en waarden krijgt u met de moedermelk mee.”)

In Opzij zegt Pieter Sauer, hoogleraar kindergeneeskunde in Groningen, gelaten: „Ik weet dat De Jonge gelooft in moedermelk (…) Maar ja, het is een geloof.” Waarna hij dat schitterende woord ‘borstvoedingsfundamentalisten’ laat vallen – als een bom. Een verband met al die gruwelijke ziekten is absoluut niet bewezen, aldus Sauer.

Ik zoog al deze tegenstrijdige beweringen dapper uit de tepels van de wetenschap op. Ik moest immers goed beslagen ten ijs komen als mijn dochter zich ten einde raad tot mij zou wenden. Helaas is dat moment nooit aangebroken. Zij haalde op een goede dag in mijn aanwezigheid plotseling een borst te voorschijn, frommelde de tepel in de mond van haar kind en begon over de Amsterdamse parkeertarieven te praten.

Daar had zelfs powerfeministe Heleen Mees niet tegenop gekund.