‘Wat ik niet leuk vind, kan ik niet’

In negen proefcampussen worden extreem moeilijke jongeren aangepakt. Met blije vrijheid of juist met discipline. „We zijn het afvoerputje van de stad.”

Werken in de keuken van Horizon Educatief Centrum Horizon, instituut voor jeugdzorg en onderwijs. Een kijkje in de keuken. Rotterdam, 7 feb 2008. foto Maarten van Haaff onderwijs jongeren voedsel koken keukens Haaff, Maarten van

Oram is er niet. Hij hoort zich elke ochtend te melden op de campus voor probleemjongeren in Delfshaven, maar vandaag is hij niet komen opdagen. De jongerenwerkers maken dat wel vaker mee. Ze besluiten de 17-jarige Oram te gaan halen met hun busje. Desnoods trommelen ze hem uit bed.

Zo gaat dat hier, op de campus. Het Educatief Centrum in de Rotterdamse wijk Delfshaven is een van de negen proefcampussen voor jongeren die op het randje van de criminaliteit balanceren. Een laatste poging om ze met krachtige hand op het rechte pad te houden. Zijn de proefcampussen een succes, dan wil minister Rouvoet van Jeugd en Gezin in heel Nederland campussen voor ontspoorde jongeren oprichten om de groeiende problemen onder de jeugd te lijf te gaan.

Op tweehoog in Crooswijk schuift Orams moeder een raam open. „Waar is Oram? Wij zijn van het Educatief Centrum. Oram had daar moeten zijn.” Moeder verstaat het niet. Ze roept haar dochter, die in vloeiend Nederlands laat weten dat Oram niet thuis is. Ze belooft dat ze hem zal bellen om te zeggen dat hij naar de campus moet. „Sorry hoor. We moeten nu naar het ziekenhuis. Moeder is ziek.” Het raam gaat dicht. Leeg keert het busje terug naar Delfshaven.

Hoeveel druk en dwang je ook in stelling brengt, zonder een minimale inzet van de probleemjongere zelf lukt het niet. Ziedaar het probleem waar al veel bezorgde bestuurders de tanden op stukbeten. Opsluiten kan je ze niet, omdat ze niet veroordeeld zijn. Maar hoe bereik je ze wel? Niemand wil wachten tot de rechter de kinderen naar de gevangenis stuurt, want dan is het vaak al te laat.

Minister Rouvoet van de ChristenUnie heeft goede hoop dat de negen proefcampussen werkbare ideeën opleveren. Onafhankelijke onderzoekers beoordelen de komende jaren de gedragsveranderingen bij de jongelui, ook na hun verblijf op de campus. Wat werkt, zal in 2011 in heel Nederland worden ingevoerd. Het uitgangspunt is dat half- of bijna-criminele jongeren tussen de 12 en de 27 jaar gedurende een paar maanden van ’s morgens vroeg tot laat in de middag binnen de instellingen verblijven. Zo kunnen ze wennen aan een strak werkritme en houden ze weinig tijd over om rotzooi te trappen.

De campussen moeten niet alleen een laatste kans bieden aan jongeren die hard op weg zijn hun toekomst te vergooien, het kabinet hoopt ook dat ze een bijdrage leveren aan de doelstelling om de criminaliteit met tien procent te verminderen. Er staat dus nogal wat op het spel voor de minister. Probleemjongeren zijn de belangrijkste klus van de eerste minister van Jeugd en Gezin. Hij zal deze kabinetsperiode moeten laten zien dat zijn aanstelling voor deze kinderen, voor hun ouders en voor de maatschappij echt verschil maakt.

Jarenlang zijn er oplossingen gezocht voor jongeren die (nog) niet zijn veroordeeld voor ernstige delicten maar toch veel overlast veroorzaken. In alle plannen voerden afzondering, tucht en militaire discipline de boventoon, al was het maar omdat de kiezers dat waarderen. Oud-premier Ruud Lubbers maakte zich in de jaren tachtig al hard voor ‘kampementen’ waar drop-outs op militaire wijze regelmaat en discipline bijgebracht moesten worden. Hem viel vooral hoon ten deel. Zijn kampementen mislukten faliekant. Omdat jongeren zelf mochten kiezen of ze er naar toe wilden of niet, bleven de kampementen leeg.

In 2006 kwam Hans de Boer van de Taskforce Jeugdwerkloosheid met een soortgelijk voorstel, toen de tijd er meer rijp voor leek te zijn. Hij wilde de naar schatting 30.000 weigerachtige jongeren naar ‘preparation camps’ (prepcamps) sturen. In kazernes zouden kansarme kinderen gedrild moeten worden tot eerbare burgers. Onderzoek in opdracht van het kabinet wees echter uit dat De Boers plannen niet haalbaar waren omdat ‘onschuldige’ burgers niet van hun vrijheid mogen worden beroofd.

Het nieuwe kabinet liet het daar niet bij zitten. Minister Rouvoet blies het kamp-idee nieuw leven in en broedde op aanvullende wetgeving. Hij sprak niet meer van kampement of prepcamp maar van de ‘campus’. De afzondering, de militaire discipline en de driloefeningen maken niet meer automatisch deel uit van het concept. Integendeel.

De negen proefcampussen hebben elk hun eigen aanpak, en de verschillen zijn groot. De overheid subsidieert uiteenlopende projecten om te achterhalen welke aanpak het meest effect sorteert. Zo geloven de initiatiefnemers van het Educatief Centrum in Delfshaven niet in „afknijpkampen, waar je alleen maar crimineeltjes creëert”. Hun pilot draait het langst, al bijna een jaar. Al 45 jongeren hebben deze campus verlaten; 32 zijn (voorlopig) succesvol doorgestroomd naar een stage, opleiding of baan, 13 zijn zónder resultaat afgehaakt (3 zijn gedetineerd).

Deze campus is in de eerste plaats een opleidingsinstituut. Tachtig extreem moeilijke jongeren gaan er van negen tot vijf heen om een vak te leren in een omgeving die zo veel mogelijk op een echt bedrijf lijkt. Na school gaan de kinderen gewoon naar huis. De campus wil ook na schooltijd bovenop de pupillen én ook hun ouders zitten. De ouders worden heel nadrukkelijk beschouwd als de „mede-architect” van de oplossing van de problemen. Zonder de inzet van de ouders lukt het vaak niet om de kinderen te motiveren. Met een intensieve gezinsaanpak hoopt men successen te boeken. Als een leerling bijvoorbeeld de vorige avond stoned is geweest, laten de medewerkers van de campus dat niet zomaar passeren. De jongeren moeten weer „regisseur” van hun eigen leven worden. Ouders moeten zich anders gaan opstellen, zo niet dan vervalt hun kind zo weer in de oude patronen.

Dat blijkt niet eenvoudig. „We zijn hier het afvoerputje van de stad, wij krijgen de jongeren die het onderwijs en de hulpverleners niet aan konden”, zegt Machiel de Laar, manager van het Educatief Centrum. Het grote tekort op de arbeidsmarkt aan gemotiveerde docenten belemmert de op papier zo goed uitgedachte aanpak soms ook. Goed personeel voor de campus vinden en houden, is een hele klus. De campus eist van docenten dat zij betrokken en vindingrijk zijn en ook goed kunnen onderhandelen. „Je moet de omgang met deze moeilijke klanten wel leuk vinden”, zegt docent Ben Vogelaar (voormalig cateraar) die vijf goedgebekte pubers in het nagebootste horecabedrijf op de campus groentensoep leert maken. „Nu accepteren ze me, maar dat kan elk moment omslaan. Straks vinden ze me een klootzak.” En dan kan het zomaar gebeuren dat jongens als Oram de volgende morgen niet meer opdagen.

Onwilligheid en vrijwilligheid gaan moeilijk samen, zegt pedagoog Jo Hermanns. Hoe kan je nou dwang opleggen in een open instelling waar geen hekken omheen staan? Dwang is dan ook helemaal niet de juiste weg, menen ze in Osdorp. Daar staat een proefcampus met een uitgesproken ‘softe’ aanpak. De jaren zeventig zijn er nog lang niet begraven. Twee dagen in de week leren drop-outs er ‘straatkunsten’ en andere leuke dingen als breakdancen en skaten van theatergroep ISH. Tussentijds rusten de probleemjongeren uit in een keetachtige kantine met oude bankstellen en harde muziek. Het idee is dat zij met de voorbereiding van een voorstelling zelfvertrouwen, eigen initiatief, inzet en motivatie ontplooien. Van die ervaring moet de stimulans uitgaan de reguliere opleiding af te maken.

„De jongeren zijn hier heel vrij”, zegt projectleider Gerjan Schreuder (maatschappelijk werker en muzikant). „Ze mogen zelf bedenken wat ze doen. Ondertussen pikken ze basisvaardigheden op. Samenwerken, op tijd komen, de touwtjes in eigen hand nemen. Weg uit de slachtofferrol. Op school hebben ze het idee dat ze worden tegengewerkt. Hier niet.” Vandaag leren de kinderen een film maken. De groep krijgt les van een echte stuntdocent, René Gaemers. Een zware leerling loopt agressief op hem af. Hij veinst dat hij de docent in elkaar wil slaan omdat Gaemers volgens hun zelfbedachte scenario een vrouw heeft belaagd. De leerlingen moeten er hard om lachen.

In de pauze glundert de Surinaamse Ashna Shewraj nog na van plezier. Het meisje van 17 jaar zit op de proefcampus in Osdorp in afwachting van een Justitie-verklaring van goed gedrag om haar opleiding tot beveiliger te kunnen vervolgen. Ze was op het verkeerde pad geraakt. Haar begeleider zegt dat ze bij ISH aankwam „zonder energie” en nu weer enthousiast kan zijn. Zelf zegt ze: „Ik vind het te gek hier.

School kon ik echt niet meer verdragen, maar ik ben wel leerplichtig. Als ik hier niet zat, hing ik maar wat op straat met jointjes en zou ik uit mijn dagritme raken. Nu moet ik vroeg opstaan. Als ik terug ga naar school weet ik dat het mijn laatste kans is. Ik krijg nooit een tweede verklaring van goed gedrag.”

Zou het werken? Het onafhankelijke onderzoek naar de effectiviteit van de negen verschillende proefcampussen moet uitwijzen of de blije vrijheid van de Osdorpse proefcampus effectiever is dan de campussen met meer dwang en discipline. De Osdorpse aanpak gaat echter bepaald tegen de tijdgeest in. Hoewel minister Rouvoet erkent dat de campussen in principe op basis van vrijwilligheid moeten gaan werken, is het kabinet bezig met de verruiming van de mogelijkheden om druk uit te oefenen op onwillige kinderen en ouders.

Het meest opvallend is daarbij het plan van de regering om een werkleerplicht in te stellen voor jongeren tot 27 jaar. Daarnaast is het nu makkelijker om uitkeringen stop te zetten als een jongere weigert naar een campus te gaan, of als een gezin intensieve vormen van therapie weigert. Lastpakken die in een tehuis van jeugdzorg wonen, mogen sinds begin dit jaar daar tijdelijk in een kamer opgesloten worden (gesloten jeugdzorg). Ook is sinds deze maand de wet ‘gedragsbeïnvloeding jeugdigen’ van kracht. Rouvoet hoopt dat dat rechters de ruimte biedt jongeren die veelvuldig delicten plegen naar een campus te sturen. Gaan ze niet dan draaien ze alsnog de bak in.

Heel dit arsenaal lijkt geïnspireerd door de geest van Lubbers’ kampementen. Maar in de praktijk zijn er nauwelijks jeugdinstellingen die heil zien in autoritair optreden en isolement. Zo zijn er van de negen proefcampussen maar twee die iets weghebben van het oude kamp-idee. De een is De Uitdaging in Soesterberg. Militaire instructeurs proberen hier probleemkinderen „discipline, regelmaat, samenwerken en fatsoen” bij te brengen. De cursus van De Uitdaging duurt echter maar drie maanden.

Op de geïsoleerde proefcampus Wyldemerk in het Friese Gaasterlân wonen jongeren, voornamelijk schooluitvallers, veel langer. Deze proefcampus is gebaseerd op de Amerikaanse school Eagle Rock in de woestijn van Colorado. Het concept waarbij jongeren uit hun milieu worden gehaald en in een internaat worden geplaatst waar ze hun leven weer op de rails proberen te zetten, wordt in Friesland gecombineerd met ‘natuurlijk leren’. Wetenschappelijk bewijs dat de methode van Eagle Rock succesvol is, ontbreekt vooralsnog. Maar de cijfers van het Amerikaanse voorbeeld noemt initiatiefnemer Gerard van den Hoven bemoedigend. „Op basis daarvan streven wij naar een slagingspercentage van 65 procent. Naar verwachting zal 35 procent van de jongeren afhaken.”

De Friese campus had in januari open moeten gaan, maar de buurt protesteerde tegen de komst van de risicojongeren. In groepjes van zes zouden ze met één begeleider gaan wonen in aparte gebouwen. Die tijdelijke huisjes moeten nog opgetrokken worden op het terrein van een oude grasdrogerij midden in de natuur. Tot die tijd worden de jongeren in een ongebruikt vakantiepark bij Leeuwarden ondergebracht.

Over de geïsoleerde lokatie van Wyldemerk zegt initiatiefnemer Gerard van den Hoven: „Door de afzondering staan de jongeren los van de beschadigende invloed van hun peergroep of familie.” Alle kinderen moeten 500 uur sociale dienstverlening verrichten; van natuurbeschermingswerk tot boodschappen doen voor bejaarden. „We willen ze laten inzien dat leren betekenis heeft. Dat staat centraal voor Wyldemerk”, aldus Van den Hoven.

De campus gelooft „absoluut niet in drillen” en denkt geen dwangmiddelen nodig te hebben om jongeren aan zich te binden. Alleen de sterkst gemotiveerde kinderen worden toegelaten. Zij die het als een voorrecht beschouwen dat zij nog een laatste kans krijgen. Een plek op Wyldemerk kost dan ook 38.000 euro per jaar want voor elk kind zijn er 2,4 medewerkers aangesteld. Door de selectie van de meest gemotiveerde leerlingen is Wyldemerk ook niet bang dat het bijeenvegen van risicojongeren in één instelling de problemen alleen maar vergroot, zoals sceptici aanvoeren.

Een van de belangrijkste pijlers onder het beleid van de minister en het campus-idee is de verlengde werkleerplicht. Als het parlement er mee instemt, zal elk kind in Nederland vanaf 2009 tot zijn 27ste levensjaar óf moeten leren, óf moeten werken. Sinds een paar maanden zijn jongeren tot hun 18de verplicht om zich in te spannen om een diploma te halen. Maar dat de werkleerplicht niet altijd de beste oplossing is, bewijst een stuiterende jongen met stekelhaar uit Sliedrecht op de proefcampus in Delfshaven.

Stilzitten kan hij niet. Hij wil alleen maar weten wanneer het vervelende gesprek met zijn trajectbegeleider is afgelopen. „Ik wil hier helemaal niet zijn. Ik word gek hier.” De jongen is op de campus omdat hij nergens meer zin in heeft. Iets te vaak is hij op het politiebureau te vinden. Op de campus volgt hij een opleiding tot houtbewerker, maar enthousiast is hij nog niet.

Alleen in zijn stage bij een aannemer heeft hij plezier. Voor hem doet hij de eenvoudigste klussen. Het is het enige dat hem motiveert, maar voltijds stage lopen mag hij niet. Hij is pas vijftien en moet vanwege de huidige leerplicht nog ministens drie jaar naar school, of naar de campus. De jongen verzet zich overal tegen: „Ik leer hier niets. Ik maak alleen maar stoelen.” Had hij niet ook een badkuip moeten plaatsen? En dat was toch niet zo best gelukt? „Het hoeft toch niet allemaal zo precies te zijn”, mokt de jongen. „Jawel, als het mijn bad is wel”, riposteert zijn begeleider. „Mijn badkuip mag niet overlopen. Je zal moeten beslissen of je hier wilt blijven.” De jongen zucht. „Dan zal ik doen wat me wordt gezegd, maar ik zie het als een heel groot probleem dat ik hier vijf dagen moet zijn. Iets wat ik niet leuk vind, kan ik niet.” De jongen mag het kantoortje pas verlaten als hij belooft dat hij er voor honderd procent voor gaat. „Anders hoef je hier niet te zijn.”

Onder de campuswerkers wordt met nostalgie teruggekeken op de vakinternaten van de jaren zeventig en tachtig. Die werden in de jaren negentig ontmanteld omdat ze te hard voor de jongeren zouden zijn. Eigenlijk proberen campussen nu te doen waar scholen niet in slagen. Motiveren, disciplineren, zin geven in leren. „Het onderwijs deugt gewoon niet voor deze uitgekotste jongeren”, zegt Van den Hoven, de man achter de campus Wyldemerk. Hij „vertikt” het te zeggen dat het aan de kinderen ligt. De ellende is volgens hem bij het onderwijs begonnen. „We zullen moeten accepteren dat wij in het gewone onderwijs niet meer uit de voeten kunnen met een deel van onze jeugd.”

Van den Hoven durft niet te voorspellen of de campussen zullen slagen waar gewone scholen falen. „We weten alleen wel dat het nergens toe leidt, als we niets doen.”