‘Voorkeur voor werknemers in vaste dienst’

Staatssecretaris Jet Bussemaker (Volksgezondheid) wil de wet aanpassen zodat ouderen weer duurdere hulp krijgen. „Cliënt moet adequate zorg krijgen.”

„Grosso modo zie je dat de cliënten in de thuiszorg tevreden zijn en dat er een enorme inzet is van de thuiszorgmedewerkers.” Staatssecretaris Jet Bussemaker (VWS, PvdA) wil met haar voorstel om de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) te wijzigen niet de indruk wekken dat er nu zoveel mis is in de huishoudelijke hulp. Ze wil vooral toekomstige problemen voorkomen door de inzet van goedkope alfahulpen aan banden te leggen. Het recente filmpje van de SP – waarin een naakte bejaarde vrouw klaagt over de zorg – doet volgens Bussemaker dan ook „geen recht” aan de zorgsector.

Bussemaker vindt dat gemeenten hun verantwoordelijkheid voor de WMO „goed hebben opgepikt”. Juist onder moeilijke omstandigheden, waarbij de huishoudelijke hulp voor het eerst via de markt werd aanbesteed. Zo waren er gemeenten die voorkwamen dat ouderen hun vertrouwde hulp kwijtraakten, als de herbeoordeling van de zorgbehoefte (‘herindicatie’) zou uitwijzen dat ze alleen nog recht hadden op een goedkope schoonmaakkracht. „Gemeenten zijn daar creatief mee om gegaan door ouderen boven de 70 jaar niet meer te herindiceren, tenzij ze meer hulp nodig hadden.”

De staatssecretaris nam vorig jaar ook zelf maatregelen, toen in de sector duizenden ontslagen dreigden, onder meer door een scholingssubsidie van 20 miljoen om mensen voor de zorgsector te behouden. Er dreigden 7.000 ontslagen, het werden er 500.

Zorgaanbieders leden verliezen als gevolg van de scherpe markttarieven en een sterke verschuiving van de duurderde hulp (hh2) naar de goedkopere hulp (hh1). Voorheen konden zorgaanbieders dure hulp geven, ook als dat niet nodig was. De verschuiving kon volgens Bussemaker door niemand worden voorzien. De zorgaanbieders dwongen daarop vaste krachten op straffe van ontslag verder gaan als alfahulp: goedkope freelancers zonder sociale voorzieningen; de cliënt is werkgever en moet bij ziekte vervanging regelen.

Er werken 60.000 huishoudelijke hulpen in vaste dienst. Daarnaast zijn er 50.000 alfahulpen, wat door het vele deeltijdwerk gelijkstaat aan 8.000 voltijdbanen.

„Mijn vrees is dat zonder wetswijziging de gedwongen alfahulpconstructie sterk zal toenemen”, zegt Bussemaker. „Ik heb vanaf het begin gezegd dat ik dat vanuit de positie van de cliënt onwenselijk vind. Je zadelt cliënten op met allerlei werkgeverslasten. En het is onwenselijk vanuit de positie van de werknemer in de thuiszorg. Ook door de hele personeelsproblematiek waarmee we in de zorgsector te maken krijgen.”

De vrees van Bussemaker is ingegeven door het feit dat de meeste herindicaties van cliënten nog moeten plaatsvinden. Dat kan tot meer verschuiving naar goedkopere hulp leiden, waardoor verliezen bij zorgaanbieders oplopen.

Wat wilt u met uw wetsvoorstel?

„Ik wil en verwacht dat de zorg door werknemers in vaste dienst van een zorgaanbieder, de standaardoptie wordt. En dat de cliënt dus ook gegarandeerde zorg krijgt. Ik denk dat 80 procent hiervoor zal kiezen. De alfahulp blijft mogelijk. Er zijn cliënten die een vaste alfahulp hebben en die niet kwijt willen.”

De tarieven voor huishoudelijke hulp zullen met uw plan stijgen.

„Ja. Maar het probleem is voor een deel ontstaan doordat aanbieders onder de kostprijs gingen om hun marktaandeel te behouden.”

In welke richting gaan gemeenten met de aanbestedingen voor 2009?

„Ik hoop en ik zie dat ook dat ze veel bewuster gaan aanbesteden. In aanbesteden zitten marktelementen, maar het hoeft geen marktwerking te zijn in de zin dat alleen de prijs telt. Je kunt ook kwalitatieve eisen stellen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten zei al dat gemeenten de 200 miljoen die ze vorig jaar volgens berichten bespaarden op de hulp, moeten reserveren omdat de kans groot is dat de prijzen stijgen.”

Er zijn wel klachten van cliënten dat ze veel mensen over de vloer krijgen omdat hulp- en ook zorgtaken uit de AWBZ zijn opgesplitst om efficiency. Wat vindt u daarvan?

„Dat is een in gang gezette regeling die zeker ook in de toekomst nodig is met de tekorten op de arbeidsmarkt. Doe je het niet dan moet je altijd mensen met het hoogste opleidingsniveau inzetten. Voor gemeenten wordt het mogelijk mensen die niet werken en laaggeschoold zijn een opstapje te geven naar werk in de zorg.”

Wat vindt u dat de gemeenten 200 miljoen euro overhielden van de één miljard voor de hulp, is dat slecht?

„Niet per definitie. Als 200 miljoen over is omdat mensen geen adequate zorg kregen is dat niet goed. Maar ik heb geen aanwijzingen dat dit zo is. Als gemeenten een deel van het proces doelmatiger regelen dan is dat niet slecht.”

Hebt u er aanwijzingen voor, doen gemeenten het op dit punt beter?

„We hebben gezien dat ze de herindicaties zorgvuldig hebben gedaan. De WMO zegt alleen dat gemeenten moeten indiceren, maar niet hoe. Ik ben er geen voorstander van alles te indiceren. Je kan dan weer een lokale AWBZ-bureaucratie gaan opbouwen met een papierwinkel. Je kunt ook indiceren door wijkverpleegkundigen, buurtwerkers, vrijwilligersorganisaties en woningcorporaties een rol te geven. Als de gemeente geld overhoudt om zulke sociale netwerken te ontwikkelen dan bestrijd je ook op een andere manier de eenzaamheid van mensen. Dan hoeft dat niet meer een individuele huishoudelijke hulp te zijn.”

U doelt op het bredere doel van de WMO, dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen functioneren en meedoen in de samenleving?

„Ja. Ik zie al hele mooie, inspirerende voorbeelden ontstaan op lokaal niveau. Het is frustrerend voor degenen die er hard aan werken dat het publieke debat zo door de huishoudelijke hulp wordt gedomineerd.”