PISA was scheef

Altijd was het onderwijs goed: internationaal scoorden ‘we’ hoog. Nu barst de kritiek los. Derk Walters

Het verwijt is niet misselijk. Bewindspersonen als Jo Ritzen, Tineke Netelenbos (beiden PvdA), Loek Hermans (VVD) en Maria van der Hoeven (CDA) hebben in hun periode op het ministerie van Onderwijs het publiek misleid door te stellen dat Nederlandse kinderen in internationaal perspectief uitstekend presteren. Dat zegt de commissie-Dijsselbloem, die deze week rapporteerde over de onderwijsvernieuwingen.

De bewindslieden hebben zich altijd beroepen op het Pisa-onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). Pisa staat voor Programme for International Student Assessment. De reken- en leesprestaties van Nederlandse kinderen staan hierin al jaren in de toptien. Geruststellend. Maar Dijsselbloem zegt nu dat ondertussen al bekend was geworden dat het helemaal niet zo goed ging met het onderwijs. Actie was geboden, maar de bewindslieden hielden zich stil.

ranglijstjes

Wat is er dan mis met die Pisa-onderzoeken? Het ‘Programme for International Student Assessment’ test elke drie jaar hoe vijftienjarigen in 57 landen presteren. Dat levert ranglijstjes op, altijd veel geciteerd. In het jaar 2000 telden de Nederlandse wiskundeprestaties niet mee in het Pisa-onderzoek, omdat de onderzochte scholen gemiddeld te goed waren. De zwakkere scholen hadden hun medewerking geweigerd. Dat euvel was in 2003 gerepareerd. En in 2004 behoorden de Nederlandse wiskundeprestaties tot de vijf beste ter wereld. “Top-prestatie”, oordeelden de onderzoekers.

Deze conclusie moet “in belangrijke mate” worden gerelativeerd, aldus het rapport van Dijsselbloem. Onlangs stelde een commissie onder leiding van oud-inspecteur Heim Meijerink al vast dat het onderwijsniveau in Nederland daalt.

Dijsselbloem zegt dat de resultaten van een land worden beïnvloed door het soort vragen dat wordt gesteld. “Van belang is dat de toetsvragen zijn opgesteld door het Cito en nauw aansluiten bij het Nederlandse onderwijsprogramma.” Misschien leren ze sommige stof in andere landen wel net een jaar later. Of veel eerder, waardoor ze het allemaal alweer vergeten zijn.

Dat is het punt niet, zegt voorzitter Jan de Lange van de groep wiskunde-experts van Pisa. “Ik ben Nederlander en voorzitter van die groep, dat klopt. Maar mensen van vele nationaliteiten beslissen mee.”

En een ander bezwaar is de ‘contextrijke’ manier van vraagstelling. Die is “heel Nederlands”, zegt wiskundige Frans Keune van de Radboud Universiteit Nijmegen. “Vroeger leerde je de logica achter de stelling van Pythagoras. Nu moet je uit je hoofd leren dat a2 + b2 = c2. Vervolgens krijg je een som waarin je de lengte van een ladder tegen een muur moet berekenen.”

Het klopt, zegt Jan de Lange, dat Pisa vrij contextrijke vragen stelt. “Maar Timms, een vergelijkbaar onderzoek, doet dat niet. Daar staat Nederland vijfde.”

Volgens Keune zegt de gevraagde kennis in de Pisa-onderzoeken ook niets over de prestaties van getalenteerde leerlingen. De sommen zouden door slimme vijftienjarigen te maken zijn “al voordat ze enig wiskundeonderwijs hebben gehad”. Veel te makkelijk dus voor de vwo’ers. Dat zij de test goed maken, geeft geen antwoord op de vraag of ze goed zijn in wiskunde.

Is dan nooit eerder opgemerkt dat de waarde van deze internationale vergelijking betrekkelijk is? Zeker wel, en vaak ook.

gezond verstand

Keune heeft er zelf eind jaren negentig al eens op gewezen. De hoogleraren Feiner (theoretische natuurkunde, Utrecht) en Barendregt (wiskunde, Nijmegen) noemden in noemden in 2004 het Pisa- onderzoek geen wiskundetest, maar “meer een soort praktische intelligentietest, die nagaat of vijftienjarigen in real-life situaties hun gezonde verstand kunnen gebruiken”.

En Jan de Lange zelf schreef dat zijn eigen Pisa-onderzoek “laat zien tot welk niveau men klaarblijkelijk moet afdalen om nog enigszins goede meetresultaten te krijgen”. Voor veertienjarigen zou deze opgave eigenlijk een belediging moeten zijn, aldus De Lange.

Maar toen de resultaten van de Pisa-test van 2003 waren verschenen, liet het ministerie van Onderwijs weten dat Van der Hoeven “blij met dit resultaat” is. “Het onderzoek geeft aan dat we op de goede weg zijn. Zij is trots op de leraren en leerlingen, want zij hebben tenslotte voor het resultaat gezorgd.” In een brief aan de Tweede Kamer schreef Van der Hoeven dat de uitkomsten “vertrouwen in het gevoerde onderwijsbeleid” geven. “Het Nederlandse onderwijsbestel presteert goed.”

Onbegrijpelijk, aldus Feiner en Barendregt, dat “onze minister van Onderwijs, van wie je toch mag aannemen dat zij van de hoed en de rand weet, het Pisa-rapport als een succes voor het Nederlands wiskundeonderwijs verwelkomt”.

Ook Keune denkt dat bewindslieden “de menselijke neiging hebben om onderzoeksresultaten in hun voordeel uit te leggen, ook al gaat dat tegen de logica in”. Het “landsbelang” is daar niet altijd mee gediend, zegt Keune. Het ware niveau van het onderwijs werd gemaskeerd door de op het oog uitstekende resultaten.