‘Noem je prijs, hier kan alles’

Na negen jaar VN-voogdij roept Kosovo zondag waarschijnlijk de onafhankelijkheid uit. Het is ‘een moreel kapot gebeukte samenleving’ met een bloeiende seksindustrie.

Van buitenaf ziet Motel Groningen er uit als een prijsstunter aan een Nederlandse meubelboulevard. Met de goedkoopste bouwmaterialen is het pand slordig in elkaar gezet. Alleen de neonverlichte palmboompjes en het opschrift ‘sauna’ aan de gevel suggereren meer. Exotica in de Kosovaarse berm.

Buiten dendert het vrachtverkeer over de weg. Binnen, in Motel Groningen, zitten acht schaars geklede hoeren rond een tafel met volle asbakken. „Dit is een rustig avondje,” zegt gastheer Kemajl, een jonge Kosovo-Albanees. „Maar op vrijdag hebben we een volle tent.”

Met een verontschuldigende blik wijst hij naar de donkere hoek met de meisjes, alle acht onderuit gezakt op neplederen banken. „Uit Oekraïene. Dat zijn de mooiste”, zegt Kemajl.

In gebroken Engels neemt een van de meisjes chagrijnig de bestelling op, brengt twee glazen met lauwe wodka en schuift dan weer aan bij het groepje. „Zo jammer dat mijn baas er niet is, hij zit nu in Nederland,” zegt Kemajl. Hij haalt een foto te voorschijn van een man met overgewicht, hangsnor en donkere brillenglazen. Kemajls baas is een Nederlandse noodslachter – in Groningen en omstreken slacht hij zieke varkens, schapen en koeien.

„Als de baas hier is laat hij altijd foto’s zien van Nederlandse schapen, daar is-ie trots op”, lacht Kemajl.

Klanten die meer willen dan lauwe wodka moeten het meisje zelf benaderen. „Niemand zal zich aan je opdringen, dat zijn de huisregels,” legt Kemajl uit. „Je noteert haar mobiele nummer, je vertelt waar je woont of logeert, en het meisje wordt even later voor je deur afgeleverd.”

In Kosovo is Motel Groningen berucht. Eerst kende iedereen het bordeel onder de naam Amsterdam. Er volgde een politie-inval. De tent veranderde van eigenaar en naam. Nieuwe neonletters werden aangebracht. Maar voor Kemajl en de Oekraïense hoeren veranderde er weinig. Over klandizie heeft hij nog altijd niet te klagen.

Vrouwenhandel

Motel Groningen staat bovenaan de off limits-lijst van UNMIK, de VN-missie die sinds de oorlog om Kosovo (1998-1999) de Servische provincie bestuurt. In totaal telt de lijst 108 bordelen en tientallen casino’s. Het VN-personeel wordt door de missieleiding verzocht er weg te blijven. „De eigenaars zijn mogelijk betrokken bij vrouwenhandel,” staat in de UNMIK-handleiding.

In hoofdstad Pristina is de woede over de off limits-lijst groot. „Om de moraal van UNMIK te beoordelen tel ik het aantal bordelen,” zegt Albin Kurti, leider van de Kosovaarse beweging Zelfbeschikking, die al jaren pleit voor het vertrek van de VN-missie. „De bordelen waren hier niet voordat UNMIK kwam. Ze hebben ons moreel kapot gebeukt en onze vrouwen gebroken.” Kurti, bekend om zijn harde uitspraken, krijgt genuanceerde bijval. „Je personeel de toegang ontraden tot hoerenkasten met mogelijke seksslaven, maar er tegelijk als wetshandhaver niets aan doen, dat is te gek voor woorden”, zegt een Europese diplomaat, werkzaam in Kosovo.

Negen jaar lang was UNMIK de baas in Kosovo dat zich morgen naar alle waarschijnlijkheid onafhankelijk verklaart. Daarmee komt een eind aan de VN-missie die zijn taken overdraagt aan de nieuwe Kosovo-missie van de Europese Unie. UNMIK was al die tijd verantwoordelijk voor wetgeving, het opzetten van een politiemacht en de opbouw van openbaar bestuur. Duizenden VN’ers arriveerden in Kosovo. De NAVO zond 16.000 KFOR-soldaten. Tientallen hulporganisaties zetten er hun kantoren op.

„Met de komst van al die internationals is er in Kosovo een nieuwe economie ontstaan waar voor criminelen veel te halen is,” zegt de Kosovaarse politieagent B. X.. Hij leidt het team dat strijdt tegen mensenhandel. Uit veiligheidsoverwegingen wil hij niet met zijn echte naam in de krant. „Ik ben moeten stoppen met mijn undercover-werk. Kosovo is klein. Iedereen kent elkaar.”

Hij noemt Kosovo een ‘magneet’ met een grote aantrekkingskracht. B.X.: „Criminele bendes halen meisjes naar Kosovo die worden ingezet in de seksindustrie. Er is een markt voor mensenhandel ontstaan. De bendes beschouwen de meisjes als producten.”

Aan de vraagzijde overheersen de internationals, zegt B.X. „Tijdens undercover-operaties vertellen de meisjes ons dat de meeste van hun klanten KFOR-soldaten zijn. Naar bed gaan met een hoer is voor een gewone Kosovaar veel te duur.” Ruim de helft van de twee miljoen Kosovaren is jonger dan dertig jaar, van wie de meerderheid werkloos is. B.X.: „Ik verdien als politieagent amper tweehonderd euro. Een hoer kost hier honderd euro. Alleen al voor een ice tea in de nachtclub van Hasan Lludi betaal je tien euro.”

Hasan Lludi betekent Gekke Hasan, de bijnaam van een seksondernemer uit Pristina die sinds de oorlog nog altijd rondloopt met een kogel in zijn kop. Bij Hasan werken overwegend Oekraïense meisjes. „Die staan in de rangorde bovenaan, ze zijn het duurst”, zegt B.X. Veel meisjes komen uit buurland Albanië en in toenemende mate uit Moldavië en uit EU-lidstaten Roemenië en Bulgarije. „Uit Bulgarije komen steeds meer zigeunerinnen, die bekend staan als goedkoop. Ze hebben een EU-paspoort, dus het is mogelijk dat ze uit vrije wil zijn gekomen.”

Hoeveel van de meisjes slachtoffer zijn van mensenhandelaars is voor B.X. moeilijk te achterhalen. Sinds 2004 heeft zijn team, dankzij verscherpte wetgeving, meer mogelijkheden om in bordelen invallen te doen. Maar de bendes hebben hier op ingespeeld. Meisjes worden steeds vaker vastgehouden in privé appartementen, zegt B.X. De klant belt, en het meisje wordt gebracht.

Albanese maffia

De Albanezen in Kosovo gebruiken het mobiele netwerk met landennummer +377. De Kosovo-Serviërs zijn aangesloten op het Servische mobiele net, beginnend met +381. „Het scannen van mobiele telefoongesprekken zou ons bij de opsporing enorm van pas komen,” zegt B.X. „Maar Belgrado verbiedt ons mee te luisteren via hun +381-net. En de Albanese maffia weet dat, dus gebruiken ze voor hun handel een +381-nummer.”

Met UNMIK en KFOR heeft B.X. de problemen besproken en de seksmarkt in kaart gebracht. „Binnen die organisaties zijn disciplinaire maatregelen getroffen tegen werknemers die zich misdragen. Maar daarnaast zijn er nog de internationals die hier werken voor de tientallen civiele hulporganisaties. Op wat zij doen hebben wij geen zicht.”

„Noem je prijs, hier is alles mogelijk!” zegt Natasja, een wat gezette, hoogblonde dame. In een café in de Kosovaarse stad Urosevac liggen haar twee mobiele telefoons binnen handbereik op tafel. Ze is een ‘madam’ met contacten. Voortdurend komen er gesprekken binnen. Hebben wij iets nodig? „Zeg het maar, dan regel ik het.”

Een paar jaar geleden kwam Natasja uit de Oekraïense stad Lvov naar Urosevac, bijgenaamd Bordelenstad. „Er zijn inmiddels ruim driehonderd Oekraïense meiden in Urosevac,” zegt Natasja. „Het leven is hier goed.”

Een spoorlijn doorkruist de foeilelijke stad die de laatste jaren explosief groeide. Verderop is Bondsteel, de grootste en best uitgeruste Amerikaanse legerbasis op Europees grondgebied. De economie van Urosevac kan niet zonder Bondsteel. Langs de spoorlijn zijn kleine bordelen gevestigd. Bulgaarse zigeunerinnen zitten in Café Plovdiv. „Niet doen,” raden de jongens aan van een winkel ernaast. „Slechte kwaliteit. Aan de overkant, in Trimi en Texas, daar werken mooie Moldavische hoeren.”

De opkomst van de seksindustrie, tegelijk met de komst van de ‘internationals’, noemt Sondeijker een ‘pijnlijke constatering.’ Hij zucht. „Je hebt hier nu eenmaal 16.000 KFOR-soldaten.”

Onder het huidige Finse voorzitterschap van de OVSE ligt de nadruk op de strijd tegen mensenhandel. Sondeijker: „We trainen politiemensen en we ijveren voor een beter getuigenbeschermingsprogramma. Meisjes die ontsnappen uit handen van mensenhandelaars vangen we gedurende dertig dagen op. Ze hebben dan de tijd om op adem te komen, om te reflecteren op wat er is gebeurd. Uit de gesprekken krijgen we meer informatie over de bendes.”

Bedelaars

Slachtoffers van mensenhandel belanden niet alleen in de seksindustrie, zegt Sondeijker. „In de straten van Pristina wemelt het van de kinderen die tot middernacht bedelen of snoep en gesmokkelde sigaretten verkopen. Ze komen merendeels uit grote families in buurland Albanië.”

Sondeijker zette onlangs een televisiecampagne op om de handel in kinderen onder de aandacht te brengen. Sondeijker: „In een tv-spotje wordt ouders verteld hoe ze kunnen voorkomen dat hun kinderen in verkeerde handen vallen.” Maar het is geen gemakkelijke boodschap, geeft hij toe. „Om te overleven zijn veel families afhankelijk van het geld dat die kinderen bij elkaar bedelen.”

In de namiddag gaat Sondeijker met een collega van de Franse hulporganisatie Terre des Hommes naar een buitenwijk van Pristina. Tegenover het treinstation van Kosovo Fushë verdringen ruim vijftig mensen zich voor een kantoortje waar UNMIK geld uitdeelt. Aan de allerarmsten in Kosovo geeft UNMIK 35 euro per maand, per familie.

In het kantoor wordt getrokken en geduwd. Al een uur staan ze te wachten. De printer, die de bewijs-van-ontvangst-documenten moet uitspugen, heeft het begeven. „Met die 35 euro redden wij het niet,” zegt een vrouw in de rij. “De kinderen gaan elke dag op hun fietsjes naar Pristina. Om te bedelen en om oud ijzer te verzamelen.”

Aan de rand van de wijk wonen Asjkali-families in krotten op de vuilnisbelt. Veel Asjkali-kinderen zijn uit andere regio’s in Kosovo via familieleden of bendes naar Pristina gehaald om er te werken. ‘Internally trafficked’, luidt het predikaat dat Terre des Hommes ze heeft opgeplakt. Uit gesprekken die Terre-psychologen op straat met de kinderen voeren blijkt dat er mogelijk ook seksueel misbruik van ze wordt gemaakt. „Het is enorm lastig de waarheid boven tafel te krijgen”, zegt Richard Sondeijker. „Iedereen zit hier klem in dezelfde armoedige omstandigheden, waarin je dingen beter kunt verzwijgen. Wat wij aan kindermisbruik en seksslavernij in beeld hebben is slechts het topje van de ijsberg.”

Politieagent B.X. is de laatste tijd voorzichtig geworden. „Wij werken als Kosovaarse politie zonder enige verzekering. Als mij iets overkomt, heeft mijn gezin niets.”

Een onafhankelijk Kosovo – daar hebben hij en zijn team het al die jaren voor gedaan, zegt B.X. „Zonder ziektekostenverzekering heb ik negen jaar lang de zware misdaad bestreden. Alles voor de opbouw van een nieuw land.”

Of het tussen de Serviërs en de Albanezen in Kosovo ooit nog goed komt, daarover koestert hij geen illusies. „Maar op crimineel nivo weten ze elkaar wel te vinden. De Servische en Albanese maffiabendes werken uitstekend samen. Al jaren.”