Kippen plukken in de wachtkamer

De heetste springplank naar de Verenigde Staten is voor duizenden illegalen het Mexicaanse stadje Altar. Op zoek naar werk of studie worden ze belaagd door de maffia, de politie en smokkelaars.

Zenuwachtig zit Luciana (24) op de rand van haar bed. Ze is nog wat nerveus van wat haar de dag ervoor is overkomen in de Sonora-woestijn. Zij en tientallen andere migranten hadden toch zo’n pech, zegt ze. Al na een paar uur waren ze voorbij ‘la linea’, de Mexicaanse grens met de Verenigde Staten. „En toen kwamen we toch nog de migra tegen. Ai.” Ze renden. De Amerikaanse grenswachten in hun terreinwagens waren sneller.

In Tucson, Arizona werden ze een etmaal vastgehouden. „Ze pakten alles af. Ons eten, ons water, de blikjes Red Bull. Zelfs een compañera die twee maanden zwanger is, kreeg niets te eten.”

Bij de grensovergang met Nogales werden ze uitgezet. Een paar uur later waren ze terug op hun punt van vertrek: het Mexicaanse woestijndorp Altar. In het slaaphuis, waar ze ook de dagen voor het vertrek verbleven, vlooien Luciana en haar kamergenoten nu geconcentreerd de naalden en distels uit hun fleecejacks. „Morgen moeten ze er uit zijn. Dan gaan we weer.”

Altar (officieel 7.257 inwoners, in werkelijkheid ruim het dubbele) was niet altijd een springplank voor migranten naar de VS. Lang was het gehucht in de noordelijke deelstaat Sonora er een zoals alle andere. Een van die tientallen nederzettingen die hier al vanaf de zeventiende eeuw gesticht werden door jezuïeten, maar die op veel moderne wegenkaarten nog steeds onvermeld blijven. De regio leeft van veeteelt en landbouw.

Maar in Altar veranderde dat leven. Eerst kwam de snelweg en met de snelweg kwamen de migranten. „De internationale snelweg sloot ons aan op de rest van de wereld”, vertelt oud-burgemeester Fernando ‘Pancho’ García op de bank in zijn huis. Ineens passeerde door het dorp verkeer van en naar Tijuana, een grensstad in het uiterste noordwesten van Mexico, nabij San Diego. „We zagen dagelijks de tientallen bussen naar Tijuana met migranten door het dorp rijden.”

Dat ging jaren zo door, totdat de Amerikanen vooral vanaf de jaren negentig ‘de muur’ bouwden. Gericht tegen de Mexicanen en andere latino’s die zonder papieren de Verenigde Staten binnenkwamen. Metershoge schuttingen van donkere, dikke golfplaten verrezen overal langs de grens. Daar bovenop en rondom rollen prikkeldraad, er tussenin soms ook diepe geulen. Op andere plekken werden dikke ijzeren palen, met slechts een paar centimeter ertussen, metersdiep de grond ingeslagen.

Virtuele muur

Omdat over muren heen geklommen kan worden en er tunnels onderdoor worden gegraven, is er sinds jaren ook de ‘virtuele muur’. Bewegingssensoren op palen, helikopters en onbemande spionagevliegtuigjes.

De woestijn bij Altar bleef lang zonder muur. En onder migranten werd het dorp zodoende populair als de laatste ‘grote’ nederzetting in een relatief onbeveiligd stuk woestijn. Rond de eeuwwisseling waren het dagelijks honderden mensen, en in de winter meer dan duizend, die vanuit Altar de oversteek waagden. „Wij zijn nu de wachtkamer van de woestijn”, zegt oud-burgemeester García. In Altar komen de migranten op krachten na hun lange reis uit het zuiden. Het dorp leeft van de verkoop van benodigdheden voor de tocht door de woestijn: gallonflessen met water, warme kleding, mutsen, handschoenen, zaklampen, sportschoenen, middeltjes tegen uitdroging.

Voor de migratie kende het dorp twee hotels, vertelt García. Nu zestien. „Eentje zelfs met drie sterren. Daar slapen alleen de polleros, de woestijngidsen.” Voor de migranten zijn er veel goedkopere gastenhuizen.

Ook Luciana slaapt in zo’n gastenhuis, Casa Lupita. Ze deelt er een slaapkamer met nog zo’n dertig migranten-in-spé. Een ruimte die bijna geheel in beslag wordt genomen door aaneengeschakelde stapelbedden van drie etages.

Achterin is er een binnenplaatsje, nog meer slaapvertrekken en een ruimte met een televisie en twee telefoons. Puber Juan heeft net opgehangen. „Nee, dat was geen gemakkelijk telefoontje”, zegt hij. Juan zit hier al ruim een week. Bij zijn eerste poging stuitte hij op de migra. Elke dag belt hij zijn ouders, om te vertellen wanneer hij het weer kan proberen. Zij worden steeds ongeruster, hij ongeduldiger. „Ik geloof niet dat ik ze heb kunnen kalmeren.”

Zoals bijna iedereen in het huis zegt Juan dat hij Mexicaan is. Michoacán, Oaxaca, Chiapas, Veracruz, Guerrero; gevraagd naar hun afkomst noemen de migranten allemaal arme Zuid-Mexicaanse deelstaten. Maar hun dialect, uiterlijk, soms een voetbalshirt, verraden vaak dat ze in werkelijkheid van nóg zuidelijker zijn: Guatemala, Honduras, Nicaragua, El Salvador, Zuid-Amerika zelfs.

Als motief om te vertrekken noemen de migranten vaak de sueño americano, de Amerikaanse droom. De meesten vertrekken omdat ze thuis amper werk vinden. Jongeren noemen het volgen van een studie na de middelbare school onbetaalbaar. En ook al is een illegaal in de VS slechts gewild, omdat hij gemiddeld een dollar minder betaald krijgt dan het federale minimum-uurloon, dat is voor hem altijd nog een veelvoud van het salaris thuis.

Uitdroging

Het is juist de vastberadenheid die Armado Coello zo verontrust. Als vrijwilliger van het Mexicaanse Rode Kruis werkt de gepensioneerde paramedicus in een mobiele kliniek aan de snelweg van Altar. Hij geeft de migranten vooraf advies of behandelt hen na een deportatie.

De Spaanstalige editie van internetencyclopedie Wikipedia noemt Altar de heetste plek van het noordelijke halfrond. In de zomer zijn er temperaturen gemeten, in de schaduw, van boven de 56 graden. ’s Nachts koelt het onder de blote hemel snel af. De met cactussen en distelstruiken bezaaide vlaktes worden enkel onderbroken door heuvels die honderden meters steil uit het landschap oprijzen. Coello: „We wijzen hen op de gevaren van uitdroging of oververhitting. Mensen die zich zwak voelen, keuren we desgewenst medisch. Na terugkeer behandelen we hun blaren, de beten van slangen, schorpioenen en spinnen, giftige planten.”

Om die gevaren te illustreren, heeft Coello een mapje met foto’s op zijn computer staan. Een halve voetzool en een hiel die openliggen door blaarvorming. Lange hechtingen in een kin en knie, nodig na een valpartij tijdens een vlucht voor de politie. Coello klikt het in rap tempo aan.

Het schokkendste beeld blijkt een ogenschijnlijk doodgewoon portret. Een jonge vrouw kijkt verlegen in de lens. Ze is en profil gefotografeerd en onder haar paarse T-shirt is een duidelijke buik zichtbaar. „Zij was zeven-en-een-halve maand zwanger. Ik heb op haar ingepraat. Over de gevaren om een miskraam te krijgen in de woestijn. Om daar dood te bloeden.” De vrouw ging toch. Ze hoopte dat haar kind in de VS als Amerikaan geboren kon worden. „Toen voelde ik me wel heel machteloos.”

Ook padre Prisciliano Peraza, de priester van het dorp, waarschuwt de migranten. „Maar ik probeer nooit het voornemen uit hun hoofd te praten”, vertelt hij tijdens een rondleiding door het dorp. Hij wijst de migranten liever op de rechten die ze hebben, zowel in de VS als in Mexico. „Vaak worden ze door de Mexicaanse autoriteiten nog slechter behandeld dan aan de andere kant. Iedereen probeert hier aan ze te verdienen.”

Telkens als hij op straat en in de slaaphuizen met de migranten in gesprek komt, hanteert hij dezelfde, succesvolle binnenkomer. „Migreren is geen misdrijf, het is een noodzaak”, zegt hij dan. „Laat je niet zeggen dat jullie ratten, terroristen of boeven zijn. Jullie gaan daar heen om eerlijk werk te doen.”

Coyote

Alle migranten in Altar trekken door de woestijn onder leiding van een pollero. Deze gids, ook wel coyote genoemd, houdt zijn pollos (kippen) gedurende de woestijntocht onder zijn hoede. „De pollero doet het zichtbaarste werk, maar is slechts een schakel in een veel groter netwerk”, vertelt Pancho García, die van 2000-2003 burgemeester was en de smokkelindustrie goed heeft leren kennen.

Het netwerk begint in het thuisdorp van de migrant, waar ‘promotoren’ de mensen overhalen te migreren. Zij brengen hen naar een regionaal verzamelpunt, waarvandaan ze noordwaarts reizen, meestal via Mexico-Stad. Daar maken ze kennis met de ‘nationale gids’, die hen tot Altar brengt.

In Altar zorgt een pollero dat zijn kippen in een minibusje komen dat hen tot de grensovergang van Sásabe brengt, honderd kilometer noordelijker dan Altar. In dit gehucht hebben de Amerikanen nu ook een hekwerk opgetrokken van zwarte dikke palen. Daarom neemt elke pollero zijn ‘handel’ al iets voor Sásabe de woestijn in. Vaak is dit in La Ladrilla, een sloppenwijkje annex autokerkhof vier kilometer voor de grens. Op deze met wrakken van in de VS gestolen auto’s bezaaide sloopplaats zijn enkele krotten opgetrokken van hardboard en bakstenen. Hierin worden de migranten tijdelijk ondergebracht, tot de schemering valt.

García: „Ik wil niet zeggen dat er goede en slechte polleros zijn. Het is een vak. De meesten bedrijven dat ethisch, maar sommigen niet. Die kennen het gebied niet. Of laten hun kippen achter in de woestijn.” Een pollero die zijn vak wel verstaat, zorgt ervoor dat hij de grenswachten net zolang ontwijkt, tot zijn kippen worden opgepikt. Gemiddeld betekent dat drie à vier dagen en nachten lopen over een afstand van hemelsbreed circa tweehonderd kilometer.

Dan komen de ‘oppikkers’. Veelal zijn dit Amerikanen, ze mogen immers niet de aandacht trekken en moeten in wagens met nationale kentekens rijden. Zij brengen de migranten naar een ‘huis van bewaring’, meestal een trailer aan de rand van een stadje. Hier worden ze opgesloten, totdat ze de eerste helft van hun reissom hebben afbetaald. De familie thuis moet dit geld overmaken: de migranten dragen het geld namelijk niet bij zich tijdens de tocht. „De migra zou het van hen afnemen. En maar al te vaak hebben polleros in het verleden hun kippen beroofd. Of lieten ze degenen die niet doorliepen stikken.”

Eenmaal vrijgekocht uit hun gevangenis, gaan de migranten naar Tucson, naar Phoenix, of nog verder. Daar betalen ze het laatste deel.

Maffiaclub

Oud-burgemeester García: „Zo ging het althans in de beginjaren. Maar zodra er echt veel geld rondging in Altar, werd de komst van de georganiseerde misdaad onvermijdelijk.” Altar en de migratie verloren hun onschuld. Vorig jaar werden er acht moorden gepleegd toen de ene maffiaclub de andere verjoeg. „Nu de ene groep weg is, is het geweld over. Ook de maffia wil niet dat de grond hier te heet wordt.”

Het aantal manieren om van de ‘kippen’ te plukken, blijkt oneindig, zegt hij. „Sommige polleros proberen elkaars migranten te stelen. Verder worden migranten bijvoorbeeld gevolgd als ze naar huis bellen. Nadat ze hebben opgehangen, drukt de crimineel op de terugbelknop en zegt tegen de familie dat hun geliefde is ontvoerd. Dat ze losgeld moeten betalen.”

De gemeente zelf plukt ook. Er zijn tolhuisjes gebouwd bij de ingang van de weg. De weg zelf wordt verhuurd aan een particulier. Hij is een van de rijkste mannen van het dorp, de eigenaar van onder meer het enige driesterrenhotel. Zijn zoon bestiert het Motel Apache aan de rand van het dorp. Iedereen kent het als een ‘zona de tolerancia’, het Mexicaanse eufemisme voor een bordeel.

Het meeste winst maken echter de zogeheten ‘cobradores’ (inzamelaars). Deze criminelen handelden in de grensstreek traditioneel in drugs, wapens en andere contrabande. Zij zagen hun rustige smokkelroute ineens verstoord door de massatrek. Twee jaren geleden eisten ze de heerschappij over de zandweg tussen Altar en Sásabe met geweld terug.

Als je op de zandweg rijdt is hun dominantie duidelijk merkbaar. Diverse malen scheuren de criminelen in geblindeerde terreinwagens hard voorbij. Op verscheidene plekken in de berm liggen verkoolde wrakken. Resten van aanvallen door cobradores, die busjes kaapten, de chauffeurs in elkaar sloegen en wagens in brand staken. Na deze aanvallen belt nu elke bus- of taxichauffeur vooraf met de zware jongens dat hij de weg opgaat. Hij betaalt vooraf 500 pesos (32 euro) per passagier en krijgt een wachtwoord. Met tientallen migranten per busje en tientallen busjes per dag loopt de winst hoog op.

De lokale politie, de politie van de staat Sonora en de federale politie, ze patrouilleren allemaal over de weg. Zij delen in de criminele wegenbelasting en houden zich koest.

De criminaliteit en de gestegen prijzen hebben ervoor gezorgd dat er dit jaar voor het eerst minder migranten komen, zegt García. Nu al circuleren in het migrantencircuit de namen van nieuwe Altars, zoals Palomas en Janos in Chiuhuahua, verder oostwaarts. „Ook daar zullen de criminelen opduiken. Mensenhandel is nu eenmaal een lucratieve, want veelzijdige handel. Een kilo drugs kan je maar een keer verkopen, een mens kan je verscheidene malen smokkelen, zeker nu de Amerikanen het aantal deportaties opvoeren. En je kunt ze uitbuiten in de prostitutie, als tafeldanseres, in de kinderporno, als huisslaafje. Alles is mogelijk.”

Grensregio

In de hele grensregio merkt men dat de band met de Amerikanen slechter wordt. In Oquitoa, een gehucht tien kilometer van Altar, woont Heriberto Federico met zijn familie. Zijn twee jonge dochters zijn volledig tweetalig. Ze groeiden deels op in Tucson, Arizona, toen hij daar enkele jaren als tegelzetter werkte. „Nu heb ik steeds meer moeite de grens over te komen. Laatst werd een vrouw hier uit het dorp met een toeristenvisum geweigerd, alleen omdat ze zwanger was.”

García: „Er komen wel eens Amerikanen om hier het ‘probleem’ van de migratie te onderzoeken. Het is eerste dat ik dan doe, is ze dit voorbeeld geven: ‘Stel je gaat ’s ochtends van huis en je laat de achterdeur op een kier. Er sluipt iemand binnen, onaangekondigd weliswaar, maar hij geeft de planten water, maakt de wc schoon, doet de afwas, laat de hond uit en maait het gras. Al die klussen waar je zelf nooit zin in hebt. Deze persoon rust uit op de bank en je treft hem daar als je thuis komt, wat doe je? Sla je diegene, geef je hem aan of bedank je hem?”

Priester Prisciliano signaleert nog een andere ontwikkeling. Zijn parochie heeft bij de ingang van de zandweg drie houten witte kruizen neergezet. Op de kleinste staat ‘kinderen’, op de andere ‘familie’. Het middelste en grootste kruis vraagt: ‘Het zijn er al meer dan 2.950. Hoeveel meer nog?’

Prisciliano: „In de slaaphuizen neemt het aantal kinderen en vrouwen steeds meer toe. Voorheen was het mogelijk de grens over te gaan, je grote slag te slaan in de seizoensarbeid en terug te keren. Nu het zo gevaarlijk en duur is om de overtocht te maken, keren de mannen niet meer terug, maar halen ze hun familie naar de VS. Bovendien zijn er steeds meer Mexicaanse dorpen waar geen mannen meer over zijn. Ook de vrouwen gaan daar nu weg.”

In Casa Lupita zit zo’n vrouw, niet ouder dan zestien, een baby van twee maanden op de arm. Die gaat toch niet mee ‘la linea’ over, vraagt Priscilliano bezorgd. „No padre”, antwoordt ze en kijkt weg. Haar gegeneerde blik verklapt iets anders.