In Fictie

In de actualiteit wordt de literatuur weerspiegeld. Deze week de parallellen tussen de (Turkse) strijd om de hoofddoek en de roman Sneeuw (2002) van Orhan Pamuk.

Terwijl in Nederland het kabinet delibereerde over boerkamaatregelen (geen draagverbod voor iedereen, wél voor leraren en rijksambtenaren), speelde zich in Turkije een fel debat af over de hoofddoek. Afgelopen zaterdag stemde het Turkse parlement in met een grondwetswijziging die studentes het recht geeft de hoofddoek te dragen op de universiteit. In afwachting van het bindend oordeel van het Constitutionele Hof, kondigde de seculiere oppositie alvast grote demonstraties aan.

In veel klassieke fictieboeken is de hoofddoek een romantisch (om niet te zeggen erotisch) accessoire, gedragen door mysterieuze oosterse vrouwen. In de moderne literatuur symboliseert hij vaak de hang naar religieuze tradities en de gebrekkige emancipatie van moslima’s in de moderne wereld. Maar er is één grote roman waarin de strijd om de hoofddoek, zoals die in Turkije gevoerd wordt, in het middelpunt van de handeling staat: Sneeuw (2002) van de latere Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk.

In Sneeuw keert de dichter Ka, lijdend aan writer’s block, uit Duitse ballingschap naar Turkije terug voor de begrafenis van zijn moeder. Hij besluit door te reizen naar de Oost-Turkse plaats Kars om een artikel te schrijven over de lokale verkiezingen en vooral over een epidemie van zelfmoorden onder meisjes die op school gedwongen zijn om hun hoofddoek af te doen.

Al gauw bevindt hij zich in het brandpunt van de strijd tussen seculiere nationalisten en religieuze revolutionairen – een strijd die op scherp komt te staan wanneer een theatervoorstelling van ‘kemalisten’ (bewonderaars van de stichter van de moderne Turkse staat Kemal Atatürk) ontaardt in een bloedige coup. ‘Ka had van het begin af aan geweten dat in Turkije geloven in God niet betekent dat de mens in zijn eentje de confrontatie aangaat met de meest verheven gedachte [...] maar dat het voor alles inhoudt dat je toetreedt tot een gemeenschap, deel uitmaakt van een groep.’

Te midden van het gewemel van spionnen, dubbelspionnen, moordenaars en samenzweerders voert Ka discussies over de abstracte God van de islamisten (‘Ik wil een God van wie ik niet mijn schoenen hoef uit doen’), over de hypocrisie van de westerse democratieën, en over het Turkse minderwaardigheidscomplex (‘Het is mijn overtuiging dat een mens ook gelukkig kan zijn zonder de Europeanen na te bootsen’).

Zoals alle boeken van Orhan Pamuk gaat Sneeuw ook over een veel bredere kwestie: de Turkse worsteling met een eigen identiteit op het breukvlak van Oost en West. De tegenstrijdige meningen over de wenselijkheid van een hoofddoek voor vrouwen zijn daar een mooi symbool van. Nog mooier dan de verwisselde identiteiten in zijn oude roman De witte vesting (1985) of de uiteenlopende westerse en oosterse kunstopvattingen in Ik heet Karmozijn (1998).

Orhan Pamuk: Sneeuw. De Arbeiderspers, € 12,50.