‘Ik was echt een Pietje Oppervlakkig’

‘Het gekke was dat toen het beste in mijn leven zich aandiende, eerst het slechtste in me boven kwam’ Foto Floren van Olden Olden, Floren van

‘Het was een onthutsend moment. Ik was een jaar of veertig, leidde een succesvol leven als pr-adviseur in de kunstwereld en had eigenlijk alles gerealiseerd waar een ander een heel leven voor nodig heeft. En plotseling liep ik vast. Ging ik nu de rest van mijn leven hetzelfde kunstje doen? Als je klanten als het Concertgebouworkest en het Holland Festival hebt gehad, dan wordt het lastig iets te doen voor de muziekschool van Geldrop. Een carrière in de zakenwereld? Sprak me niet aan. Een tijd naar het buitenland? Ik had al zeven jaar in New York gewoond en gewerkt voor het City Center Theatre en Philip Glass. Hoe groots en meeslepend moest het leven nog worden? Ik wist het echt niet meer.

Dus daar zat ik dan, op de bank. Wat nu? Ik kon niets meer bedenken. Ik wist werkelijk niet meer wat wijsheid was. En opeens ervoer ik een soort roep. Het is onmogelijk dat moment in woorden te vatten. Maar laat ik maar zeggen dat het was alsof God vroeg: wordt het geen tijd om voor mij te gaan werken?

Ik was in die periode volstrekt niet bezig met het geloof. Ik was echt Pietje Oppervlakkig. Ik ben wel gelovig opgevoed, mijn vader was pastoor en later bisschop binnen de Oud-Katholieke Kerk. Maar toen ik rechten ging studeren met het plan diplomaat te worden, liet ik het geloof achter me. Waar het in mijn leven vooral om ging, was of ik het naar mijn zin had. Ik zag mezelf als het centrum van het universum. En toen was er dat onthutsende moment. Het was een blikseminslag in mijn bestaan en het liet me volledig in verwarring achter.

Meteen na die ervaring heb ik mijn werk opgegeven. Heel rigoureus. Ik wilde me helemaal aan mijn roeping gaan wijden, maar zo eenvoudig was dat niet. Het vuur dat in me was ontstoken, kon ik met geen mogelijkheid kanaliseren. Het duurde jaren voordat ik er een beetje grip op kreeg. Het gekke was dat toen het beste in mijn leven zich aandiende, eerst het slechtste in me boven kwam. Ik was het toppunt van egoïsme, vond dat ik het licht had gezien en vertelde iedereen dat het zo niet verder kon met de wereld. Ik was een spraakwaterval, niet te stoppen, onhandelbaar. Het had iets manisch. Dat was niet makkelijk voor mijn omgeving.

Heel langzaam, en dat was echt een kwestie van zeven, acht jaar, ben ik tot bedaren gekomen. Uiteindelijk vatte ik het plan op om een boekje te schrijven over geluk. Nu ben ik van nature erg ongedisciplineerd, dus ik wist: als ik daar thuis aan begin, komt er niets van. Ik moet ergens anders gaan zitten. Toen dacht ik: waarom niet in een klooster? Dat is goedkoop en het is er stil. Dus klopte ik aan bij de abdij van Egmond, waarmee mijn vader goede contacten had. Daar zeiden ze: dat gaat zomaar niet, kom eerst maar eens drie dagen. Dat deed ik en dat ging goed. Toen zeiden ze: kom dan maar eens een week. Dus liep ik een week mee, waarna ik dan eindelijk drie maanden mocht komen.

In die drie maanden had ik opnieuw een ongehoorde ervaring. Terwijl ik met de monniken meebad en meezong, voelde ik steeds sterker: deze vorm van leven is mij op het lijf geschreven! Het was een onbegrijpelijke ontdekking. Ik was altijd dol geweest op praten, uitgaan, feestjes. Ik was een sociaal dier. En nu opeens voelde ik me gegrepen door de soberheid, de verstilling, de regelmaat van het kloosterleven. Dat kon toch niet waar zijn?

Het besef dat ik me thuis voelde in het klooster benauwde me. Ik vroeg me vertwijfeld af: moet ik hier blijven? Het was een enorme worsteling. Waar deed ik goed aan? Was dit leven voor mij weggelegd? Was dit mijn roeping? Uiteindelijk ging ik naar een nabijgelegen klooster en terwijl ik in de kapel zat, rook ik een vreemde lucht, die tegelijkertijd bekend was, want zo rook het in de abdij ook. Ik dacht toen: dit is de geur van angst. De angst om iets fout te doen en gestraft te worden. De angst voor de hel. En toen besefte ik dat ik voor het traditionele kloosterleven niet geschikt was. Voor mijn gevoel wordt dat leven namelijk overschaduwd door de noodzaak van permanente boetedoening. Maar ik geloof niet in een God die wil dat je lijdt.

Ik besloot dus niet toe te treden tot het klooster. Maar ik was wel gegrepen door het christelijke denken. En ook door het monastieke leven. Ik dacht: ik ga zelf een klooster beginnen. Een volstrekt belachelijk plan, want ik had geen cent en waar ging ik de mensen vinden? Maar ik had wel de vrijheid om een dergelijk experiment aan te gaan – ik had immers geen vaste relatie en geen kinderen. Wat mij ook hoop gaf, was dat ik met succes begonnen was mensen die in hun werk waren vastgelopen te begeleiden. Dat bemoedigde mij. Ik dacht: ik kan blijkbaar iets met mensen.

Ik besloot voor een half jaar naar een afgelegen bergdorpje in Zwitserland te vertrekken. Ik werkte daar als afwasser in een hotel en dat was een goede training in nederigheid. Zo’n eenvoudige taak als afwassen vormt een aanslag op je ego. Het was echt een kunst daar op gepaste wijze vrolijk onder te blijven. Maar de verwezenlijking van mijn kloosterplannen bracht het niet dichterbij en dus keerde ik terug naar Nederland. Daar kwam mij eind 2005 een advertentie van onder ogen waarin de Stichting Jan 17 een directeur vroeg voor het centrum Zeeveld in Castricum, een oude duinboerderij waar rond 1985 een rooms-katholieke priester begonnen was spirituele cursussen aan te bieden. Dat initiatief was verwaterd en ze zochten iemand om de boel weer aan de gang te krijgen. Dat werd ik. Ik dacht eerst nog dat het alleen maar een goede vingeroefening zou zijn. Ik had nog niet door dat mij als door een wonder zomaar de plek in handen was gevallen waar ik mijn droom kon realiseren.

Wat ik aantrof was een min of meer failliete stichting en een pand dat nog het meeste leek op een bejaardentehuis voor overleden paters. Hoewel mijn functie maar voor twee dagen per week was, heb ik me er helemaal ingegooid. Om te beginnen met een grondige schoonmaak. Al doende dacht ik na over hoe de stichting zou kunnen overleven. Daarbij kwam mijn vorige leven mij goed van pas: ik had immers geleerd rationeel te kijken naar de mogelijkheden van een onderneming. Aan centra met een spiritueel cursusaanbod is een wildgroei in Nederland, dus ik besloot het over een heel andere boeg te gooien.

Zeeveld is nu een plek waar mensen zich kunnen oefenen in een monastieke levenshouding. Het is de bedoeling dat daar een woon- en werkgemeenschap uit groeit, met als basis de kloosterregel van Benedictus. Ik hoop natuurlijk dat er mensen zullen zijn die zich hier permanent willen vestigen, maar je kunt hier ook deeltijdmonnik worden en een paar dagen per week een monastiek leven leiden.

We staan hier om vijf uur op en houden om half zes het ochtendgebed. Daarna is er een leesuur en een wandeling. Het ontbijt is om acht uur. Om negen uur houden we een stiltemeditatie. Om half een is het middaggebed, om vijf uur een ontspanningsmeditatie en om half negen het avondgebed. Een heel belangrijk aspect van het leven hier is stilte. En die stilte is iets wat mij tot mijn verbazing steeds meer trekt. Stilte heeft zo’n vreemde, volle kwaliteit.

Ik woon hier nu samen met een deeltijdmonnik die drie dagen in de week komt. Ik begeleid mensen die met levensvragen zitten, maar veel van mijn tijd besteed ik aan het in de lucht houden van dit complex. Dat heeft heel wat voeten in de aarde. We zijn nu bezig met een aantal vrijwilligers de tuinen opnieuw in te richten. Een enorme onderneming. Kun je je voorstellen: ik als stadsmens? Aanvankelijk had ik ook nog het haastige ritme van de stadsmens. Maar de wetenschap dat ik hier alleen tussen zes planken zal vertrekken, heeft de nodige rust in mijn levensritme gebracht. Geheel volgens de regel van Benedictus blijf ik ook op deze plaats. Geen gereis, geen uitjes, verder dan Egmond-Binnen kom ik niet. Dat was even wennen, ja, maar ik ervaar het nu als een weldadige beperking.

Er zijn mensen die zich afvragen wat de maatschappelijke relevantie is van het leven dat ik hier leid. Ik denk dat het relevanter is dan ooit tevoren. Ik zie een klooster als een onderzoeksplaats naar de betekenis van het leven, naar de waarheid over mens en samenleving. Je oefent je er in eigenschappen waarvoor elders in de wereld weinig ruimte is. In plaats van te strijden voor je eigen hachje, oefen je je in zachtheid van hart. Ik ben niet bezig mijn zakken te vullen, maar juist om ze te legen. Ik ben er van overtuigd dat dat de mens tot mens maakt. Als niemand zich daar meer mee bezig houdt, als het steeds meer wordt van ieder voor zich, dan stort een samenleving in.

Ik heb nu sterk het gevoel dat ik naar mijn bestemming reis. Dat deed ik natuurlijk altijd al, maar in mijn geval moest ik even overstappen op een andere trein. Wilde ik in mijn vorige leven graag bijzonder zijn, nu oefen ik me in gewoon zijn. In het begin dacht ik: dat kan ik niet. Maar al doende verruimt zich het hart.

Renate van der Zee