‘Ik slaag liever als mens dan als tennisser’

Raemon Sluiter beëindigt komende week zijn loopbaan tijdens het ATP-toernooi van Rotterdam. „De noodzaak om te tennissen was er niet meer.”

Het gebeurde twee weken geleden. Tennisser Raemon Sluiter (29) stond onder de douche. Hij keek terug op de maanden die achter hem lagen. En probeerde zich een voorstelling te maken van wat het nieuwe jaar hem zou brengen. „Normaal voel ik veel op dat soort momenten”, zegt de voormalige nummer 46 van de wereld tijdens een gesprek in zijn ouderlijk huis in Rotterdam-Noord. „Maar nu dacht ik vooral. Aan alle vliegtuigen die ik in- en uit zou moeten stappen. En de vele contracten die ik had afgesloten. Toen viel het kwartje: de noodzaak om te tennissen is er niet meer. Dit is het.”

Nu had Sluiter wel vaker momenten van twijfel gekend in zijn twaalf jaar lange profcarrière. Bijvoorbeeld die keer dat hij in de eerste ronde van Wimbledon roemloos verloor van de Zweed Jonas Björkman, drieënhalf jaar geleden. Of de vele malen dat hij een toernooi afzegde wegens blessures of privéomstandigheden.

„Maar toen had ik nog geen stabiele relatie”, zegt Sluiter verwijzend naar zijn nieuwe liefde, hockeyinternational Fatima Moreira de Melo, met wie hij onlangs een appartement kocht en op den duur een gezin wil stichten. „Faat geeft mij rust en kracht. Aanvankelijk dacht ik dat dat mijn carrière een nieuwe impuls zou geven. Maar het tegendeel is waar: door onze band durfde ik deze beslissing te nemen.”

In tegenstelling tot oud-collega’s Richard Krajicek, Jacco Eltingh en John van Lottum, die hun tennisloopbaan abrupt moesten beëindigen wegens blessureleed, kan Sluiter zijn eigen afscheid regisseren. En waar anders zou de geboren Rotterdammer zijn laatste wedstrijd spelen dan in Ahoy? „In Ahoy wil ik nog één keer vlammen. Ik ben een kind van Rotterdam en van Ahoy. Mijn carrière moest daar eindigen, de cirkel is rond.”

Twee jaar geleden beschreef je in een interview je laatste dag als proftennisser. Weet je nog wat je zei?

„Eh, laat me even denken.” Lange stilte. „Nee, ik kan me dat niet herinneren.”

Je zou je laatste wedstrijd in Rotterdam spelen. En daarna doorrijden naar het snookercentrum.”

Lacht. „Waarmee deel twee van het leven van Raemon Sluiter begint – of iets in die trant? Nou, het is inderdaad Rotterdam geworden. Maar met dat snookeren ga ik een dagje wachten. Na mijn afscheid in Ahoy wil ik graag bij Fatima zijn.”

Heb je de afgelopen twee weken nooit gedacht: straks val ik in een zwart gat?

„Nee. Daardoor is mijn leven al die jaren te veel in balans geweest. Als ik al ergens bang voor ben, dan is het dat ik de spanning van het proftennis ga missen. Want als FC Twente van de ATP-lijst heb ik toch heel wat wedstrijden voor afgeladen tribunes gespeeld. Zoals mijn overwinning op Lleyton Hewitt in de eerste ronde van Stockholm in 2002, toen hij nog nummer één van de wereld was. Of mijn zege op Juan Carlos Ferrero in de Davis Cup van zeven jaar geleden. Sinds ik heb besloten te stoppen met proftennis, komt alles in flarden terug. Ik heb de laatste tijd zo veel meegemaakt op het persoonlijke vlak, dat die beginperiode volledig op de achtergrond was geraakt.”

In 2005 kreeg je vader hartproblemen, in 2006 stierf je oma en vorig jaar werd je nichtje ernstig ziek. In hoeverre hebben die tegenslagen je carrière beïnvloed?

„Naarmate mensen ouder worden, krijgen ze meer met dat soort dingen te maken. Dat besef ik, maar daardoor komt het niet minder hard aan. Toen mijn vader drie jaar geleden hartproblemen kreeg, heb ik mij afgemeld voor de kwalificaties van de US Open. Dan ben ik er voor mijn vader en voor de rest moeten alle taken van me worden weggenomen. En toen ik vorig jaar een ballenmeisje van een jaar of zeven zag lopen, moest ik automatisch aan mijn nichtje denken. Haar ziekte heeft mijn spel beïnvloed, maar niet per se in negatieve zin. In de weken nadat er kanker bij haar werd vastgesteld, won ik het challengertoernooi van Poznan en bereikte ik de halve finale in Scheveningen en Tampere. Dingen die mij raken, kunnen mij ook sterk motiveren. Door alles te geven wilde ik een extreem signaal afgeven aan haar en mijn familie: we moeten door. Terugkijkend denk ik dat ik toen te diep ben gegaan; ik ben nog steeds aan het bijkomen van die actie. Het zal een tijd duren voordat ik weer wat ben opgebloeid en anderen kan geven wat ik in mij heb.”

Er wordt wel eens gezegd: die Sluiter voert zijn privéproblemen aan om te verbloemen dat hij geen killerinstinct heeft.

„Dat zijn mensen die anders in elkaar zitten dan ik. En dat is natuurlijk hun goed recht. Ik snap dat het voor anderen moeilijk te begrijpen is dat ik een tijd niet speel als mijn oma overlijdt. Negentien van de twintig mensen zeggen: ‘Met alle respect Raemon, maar je oma is tachtig!’ Voor een deel hebben ze gelijk: ik mis dat killerinstinct. Maar ik vind het belangrijker te slagen als mens dan als tennisser. Ik ben tevreden met mezelf. Dat telt.”

Je moet je als prof vaak een vreemde eend in de bijt hebben gevoeld.

„Eerlijk gezegd wel. Niet voor niets bereikten Schalken, Krajicek, Eltingh en Haarhuis de toptwintig. Zij hadden een andere levensinstelling dan ik. Met name met de houding van Richard heb ik veel moeite gehad. Hij was ongelooflijk egoïstisch. Ik kan me nog goed herinneren dat we voor de Davis Cup in Oezbekistan zaten. Op een avond belt hij naar beneden: ‘Ik ben moe, ik ga niet mee eten.’ Richard voelde zich lekkerder op zijn hotelkamer. En daarmee nam de kans toe dat hij de volgende dag zijn wedstrijd won. Nou, zoiets zou niet in mijn hoofd opkomen. Tijdens de Davis Cup eet je samen. Punt. Op toernooien trok hij ook vaak de stekker eruit in zijn hotelkamer: zo kon de spelersvakbond hem niet bereiken voor een handtekeningensessie op zijn vrije dag. Ik zou bij wijze van spreken zélf bellen: ‘kan ik jullie nog van dienst zijn?’ Maar zoals ik al zei: Richard heeft het met die strijdbare instelling wel ver geschopt. Niet alleen als tennisser, maar ook als toernooidirecteur [in Rotterdam, red.] en als oprichter van een foundation die sportieve activiteiten voor kinderen in achterstandswijken stimuleert. Zijn kracht is zijn zwakte in andere dingen – en dat is in mijn geval niet anders.”

Richard maakte samen met Eltingh, Haarhuis en Siemerink deel uit van de ‘gouden generatie’. Hoe moeilijk was het om in de voetsporen van zo’n succesvolle groep tennissers te treden?

„Door hun goede prestaties werd er ook veel van ons verwacht. Daar had ik geen moeite mee. Waar ik wel moeite mee had was als die gouden generatie ongevraagd adviezen gaf. Zo kreeg ik aan het begin van mijn carrière een column van Eltingh onder ogen, waarin hij stelde dat wij ons te druk maakten om het type auto waarin we reden en het merk van onze mobiele telefoon. Ik heb hem toen gebeld om te vragen waar hij op doelde. Want ik reisde in die tijd per trein naar toernooien omdat ik geen rijbewijs had. En ik belde hem vanaf een betaaltelefoon omdat ik niet over een mobiel beschikte. Een beetje wrijving was er wel, maar over het algemeen konden we goed door een deur.”

Je overweegt nu zelfs om samen met Krajicek achterstandswijken in te trekken.

„Dat zou kunnen. Mijn doel is om het tennis in Nederland te promoten. Want ik heb het gevoel dat we de boot aan het missen zijn. Schaatsen en golf winnen aan populariteit, de aandacht voor tennis neemt af. Een paar maanden geleden ging ik bij een hockeyduel van Fatima kijken. Zoals die sport lééft, daar kunnen wij een puntje aan zuigen. De populariteit van een sport heeft natuurlijk voor een groot deel te maken met de resultaten van de nationale profs. Die houden in het tennis niet over. Maar er moet toch een manier zijn om mensen enthousiast te maken voor onze sport? Ik heb erover gedacht een tennisschool op te richten. Maar het gevaar is dat ik te hard van stapel loop. Want als ik een talent zie, wil ik daar ook bergen voor verzetten. Dan sta ik iedere ochtend van zeven tot negen op de baan. Ik ken mezelf.”

Als het om anderen gaat kun je heel extreem zijn.

„Dat heb ik niet van een vreemde. Toen mijn oma ziek was, nam mijn moeder twee jaar de verzorging op zich. Zoiets zou ik ook kunnen doen. Ik ben redelijk calculerend als het om mezelf gaat. Maar als het dierbaren betreft... Op de lange termijn kun je aan zo’n eigenschap kapot gaan. Daar raak ik steeds meer van doordrongen.”

Je oud-coach Hugo Ekker zegt: ‘Ik zie hem nog wel eens Davis-Cupcaptain worden.’

„Ik denk dat die functie inderdaad goed bij mij past. Ik houd ervan met jongeren te werken. En kan ze goed enthousiasmeren. De functie van captain is nu vervuld door Siemerink. En ik vind dat hij dat prima doet. Maar wie weet, over een jaar of zes, zeven...”

Zou je het anders aanpakken dan Siemerink?

„Jan en ik hebben andere karakters. Onze aanpak zou op bepaalde punten zeker verschillen. Maar belangrijk is dat ik met jongens zou gaan werken die ik de afgelopen jaren van dichtbij heb meegemaakt. Want de kans is groot dat Robin Haase, Igor Sijsling en Thiemo de Bakker tegen die tijd in de bloei van hun carrière zitten. Het zou mij verbazen als er over twee jaar niet minstens drie Nederlanders in de tophonderd staan.”

Even terug naar het nu. Hoe leef je toe naar je laatste toernooi?

„De laatste paar nachten heb ik onrustig geslapen. Ik ben in tijden niet zo nerveus geweest, er gaat van alles door mijn hoofd. Hoe gaan mensen reageren als ik in de derde set de tiebreak verlies van Hewitt? Zeggen ze dan: waarom ga jij in godsnaam stoppen? En hoe ga ik zelf reageren op mijn afscheid? Kan ik er een beetje van genieten? Ik heb de afgelopen weken veel reacties van mensen gehad. Ik voel me begrepen in mijn beslissing om te stoppen. En ik voel mij begrepen in hoe ik altijd ben geweest. Dat geeft een fijn gevoel.”