Hoogmoed maakte trotse Ajacieden blind

Voor Ajax is de druk om te scoren, sportief en zakelijk, altijd groot. Het succes uit de tijd met Johan Cruijff achtervolgt de club. „Ik word moe van het geromantiseer van De Meer”, zegt oud-bestuurslid Uri Coronel.

Kort nadat hij met Ajax de Champions League had gewonnen liep Louis van Gaal met de beker langs de tribunes van De Meer. Bij de wasserij van het oude stadion stapte de trainer naar binnen, zette de cup op een droger en zei tegen de wasdames: „Zo, deze is ook van jullie.” Een week lang stond de beker tussen de wasmachines en de sokken. „De mensen die de shirtjes elke dag wasten waren voor Louis net zo belangrijk als spelers en bestuurders”, zegt Michael van Praag, destijds voorzitter. „Zo maakte hij van Ajax een eenheid.”

De laatste grote successen van Ajax – Champions League, wereldbeker – dateren van dertien jaar geleden. Ajax was nog niet overdonderd door het Bosman-arrest, speelde nog niet in de Arena, was nog niet genoteerd aan de Amsterdamse beurs. De club had ook nog geen filialen in Zuid-Afrika, België en Ghana.

De tegenstelling kan bijna niet groter. Tegenwoordig is AFC Ajax een NV én rijk; de club verdient tientallen miljoenen euro’s aan spelersverkopen, ontvangt bij thuisduels 50.000 toeschouwers, die efficiënt worden aangevoerd via metro, spoor en autowegen. Maar zij hebben weinig te vieren.

In de jaren negentig was AFC Ajax een vereniging, arm en klein, die probeerde zich te ontworstelen aan schulden en een slecht imago na de zwartgeldzaak en het ‘staafincident’, waarbij Ajax was uitgesloten van Europees voetbal. De Meer was vervallen en slecht bereikbaar. Niet veel meer dan 12.000 bezoekers kwamen op zondag naar het stadion, wandelend over de Middenweg of opgepropt in tram 9. „Er is sinds die tijd wel wat veranderd”, zegt erelid Uri Coronel. „Het voetbal is ontploft. Toen ik eind jaren tachtig in het bestuur kwam zaten er vier mensen op kantoor, toen ik in 1997 wegging waren het er zestig, nu bijna tweehonderd.”

Het is geen toeval dat het huidige bestuur van Ajax vorig jaar oud-bestuurder Coronel vroeg te onderzoeken wat er mis is met de club. Duizenden supporters vragen zich af hoe het komt dat de meest succesvolle voetbalclub van Nederland, met de beste jeugdopleiding en het grootste budget, zo vaak teleurstelt. Hoe het komt dat Ajax de Champions League niet meer haalt, de eerste ronde van het UEFA-Cuptoernooi niet overleeft en structureel achterblijft bij PSV. Wat er gebeurde met Ajax sinds de successen van Louis van Gaal. Was de beursgang wel verstandig? En de verhuizing naar de Arena? Koopt Ajax wel de juiste spelers? En waarom staat er gemiddeld elk jaar een nieuwe trainer voor een gerenoveerde spelersgroep?

Niet iedereen bij Ajax is blij met het onderzoek van Coronel. „99 procent van de commissies worden benoemd omdat je er zelf niet uitkomt”, verwoordt oud-penningmeester Arie van Os deze opvatting. „Het verbloemt je eigen tekortkomingen.”

Het ‘droge Ajax’ zit in strakke werkvertrekken onder de verwarmde tribunes van de Arena. Hier is Ajax geen voetbalclub, maar een beursgenoteerde NV die in voetbal doet. Het ‘natte Ajax’ staat voor de voetbalafdeling, even verderop op sportpark De Toekomst. Een juffrouw aan de receptie fronst het voorhoofd bij het horen van de naam Jaakke. „Zegt me niets”, zegt ze als ze gevraagd wordt naar de Ajax-voorzitter.

Clubicoon Sjaak Swart, dagelijks te vinden op De Toekomst, het sportpark waar de jeugd wordt opgeleid, merkt het verschil sinds de verhuizing naar de Arena. „Ajax is veel minder een club geworden. Laatst ben ik een kwartier lang tevergeefs doorverbonden in de Arena toen ik probeerde uit te vinden wie mij had gebeld.”

De veranderingen sinds het vertrek van het ‘oude’ Ajax aan de Middenweg hebben alles te maken met de fysieke afstand – acht minuten wandelen – tussen De Toekomst en de Arena, waar AFC Ajax NV is gevestigd. „In De Meer was Ajax een veel warmere club”, zegt oud-trainer Leo Beenhakker. „Na de training met het eerste ging je zaterdagmorgen naar Voorland, een bakkie halen bij ome Karel. Of je nou Witschge of Winter was, je ging erheen en keek naar de pupilletjes. Je kende iedereen, de trainers, de ouders. Dat heeft niks te maken met geld of commercialisering. Ajax was een club.”

Toen Beenhakker in 2000 terugkeerde als technisch directeur merkte hij het verschil. „Ik zat meestal op mijn kantoor in de Arena. Ik ging een paar keer per week een broodje eten op De Toekomst. Tachtig procent van de mensen ging min of meer langs je heen.”

Ondanks de teleurstellingen van de laatste jaren veranderde één ding nooit: de hoge verwachtingen. Nog altijd wordt alles afgemeten aan het roemrijke verleden, aan Johan Cruijff, die een mythe creëerde die de club tot diep in China bekendheid opleverde, waar dertien jaar geleden al namaakshirtjes met het opschrift ‘Amro ABN’ te koop waren. „Ajax is Cruijff, het verleden”, zegt oud-speler Keje Molenaar. „Sportief blijft je dat altijd achtervolgen.”

Ook toen de gouden jaren voorbij waren bleven de ambities hetzelfde. ‘Ajax speelt aanvallend, creatief en dominant voetbal’, luidt de eerste doelstelling, geschreven op een knalrood bord met witte letters, zowel bij de ingang van de Ajax-burelen in de Arena als in het clubhuis op De Toekomst. Die zin is het eerste wat Ajacieden elke dag lezen – het wordt de pupillen vanaf hun eerste training ingepeperd, als onderdeel van ‘het Ajax-systeem’.

Op spelers en trainers werkt die zelf opgelegde druk vaak beklemmend; zoals de officieel vastgelegde doelstelling dat Ajax bij de beste zestien clubs van Europa moet horen en eens per twee jaar landskampioen dient te worden. Ajax wil er alleen maar mee zeggen dat de club altijd wil meestrijden om het kampioenschap, zegt voorzitter John Jaakke. „Dat is de ambitie die wij willen uitdragen. Het is niet in marmer gegrift.”

Maar de vraag is of die ambities in de huidige tijd nog te realiseren zijn, zeggen Ajax-volgers. „Die verwachtingen horen bij de Ajax-cultuur”, zegt Leo Beenhakker. „Op zichzelf is dat niet negatief. Maar de clubs in Spanje, Italië en Engeland hebben geen financiële beperkingen meer. Ajax levert elk jaar zijn beste spelers in bij dat soort clubs. Het gat wordt steeds groter. Het winnen van de Champions League is voor Nederlandse clubs onmogelijk geworden.”

Maar die hoge verwachtingen kunnen verlammend werken, merkte oud-speler Jan van Halst, die in 1999 door trainer Jan Wouters naar de Arena werd gehaald. „Je krijgt bij Ajax steeds van die signaaltjes. ‘Weet je wel voor welke club je voetbalt, weet je wel wie hier allemaal hebben gespeeld?’ Overal in de Arena hangen foto’s van Cruijff van de gouden tijd. Toen ik bij Ajax kwam, was ik dertig. Ik had geleerd mijn gemoedstoestand niet te laten beïnvloeden door mijn omgeving. Maar na een half jaartje Ajax was ik dat helemaal kwijt.”

Sommigen noemen het trots, anderen arrogantie – het hoort bij Ajax. „Ik noem het zelfbewustheid”, zegt erelid Michael van Praag. „Dat kwam door de successen.” Keje Molenaar: „Ajax is een heerlijke arrogante club. Amsterdamse hautaine hoogmoed, met prachtig voetbal. Real Madrid in het klein, iedereen wil erbij horen. Als je in De Meer de koppies van de tegenstander zag als ze het veld opkwamen, dan stonden wij al met 1-0 voor.”

Die zelfbewustheid kan de club ook opbreken. Vier seizoenen geleden had Ajax’ huiscouturier Oger na de laatste landstitel het cijfer 1 laten borduren op de officiële clubstropdas. Het werd een zwaar seizoen voor trainer Ronald Koeman, die er wekelijks mee rondliep bij een slecht presterend Ajax. „Op je das nummer 1 zetten is niet handig”, zegt Uri Coronel nu. „Dan wordt dat beeld weer bevestigd. Maar ik vind Ajax een echte warme voetbalclub.”

Buitenstaanders die regelmatig met Ajax te maken hebben denken daar anders over. Zij typeren Ajax als kil, onpersoonlijk, onattent. „Als ik bij PSV of Feyenoord een wedstrijd ga kijken krijg ik keurig een kaartje, parkeerkaart en een toegangsbewijs voor het spelershome toegestuurd”, zegt een spelersmakelaar die niet met zijn naam in de krant wil. „Bij Ajax moet je daar zelf achteraan.”

Bij Ajax wordt dat niet ontkend. Sjaak Swart: „Ajax laat oud-spelers te veel aan hun lot over. Dat doen ze bij andere clubs honderd procent beter. Hier mag je blij zijn dat je voor Ajax hebt gespeeld.”

Bij zijn komst naar Ajax dacht Jan van Halst dat alles tot in de puntjes geregeld zou zijn. „Ik dacht dat ik geholpen zou worden, bijvoorbeeld met het zoeken naar een huis. Niet dus.” Ook grote spelers als Zlatan Ibrahimovic en Cristian Chivu waren continu op zoek naar warmte bij Ajax, weet Van Halst: „En als je dat niet kunt vinden heeft dat zijn weerslag op de prestaties. Daar komt de houding van dat kritische publiek dubbel en dwars overheen.”

Ajax is nu eenmaal Ajax, en de club is altijd groter dan de spelers. Van Halst herinnert zich zijn eerste oefenwedstrijd voor Ajax. „We wonnen met 16-0 of zo. Na de wedstrijd kwam iedereen naar me toe. ‘Gefeliciteerd, Jan!’, riepen ze. Ik dacht: 16-0, daarvoor hoef je me niet te feliciteren. Toen zeiden ze: ‘Nee, dat jij voor het eerst in je leven het Ajaxshirt hebt gedragen.’ Die trots voel je aan alles bij Ajax, het is bijna blinde trots. Het kan tot bedrijfsblindheid leiden.”

Ook het publiek werkt daar aan mee. Een Ajaxsupporter, zegt Van Praag, komt niet naar het stadion om de club aan te moedigen, maar „om te controleren of het goed gaat”. Van Halst: „Er wordt pas gejuicht als Ajax met 2-0 voorstaat. Maar dan moeten het wel mooie doelpunten zijn.” De lat ligt hoog, vindt ook Molenaar. „Als er niet wordt gepresteerd gaat iedereen klagen. Oud-Ajacieden, sponsors, de bekende Nederlanders, Freek de Jonge, Youp van ’t Hek, René Froger, allerlei soapsterretjes. Iedereen bemoeit zich ermee.” Uri Coronel: „Ajax is een glamourclub. Grote ego’s. Allemaal mensen die er graag bij willen horen en hun zegje willen doen.”

De kritische fans hadden genoeg om over te praten toen het vervolg op de successen van Van Gaal uitbleef. Sinds zijn vertrek ruim tien jaar geleden, beten negen trainers zich stuk op de hoge ambities. Veel frustratie over de tegenvallende resultaten werd afgewenteld op de Arena, bij de opening in 1996 één van de meest bejubelde stadions ter wereld. Hoewel het sinds de opening vrijwel altijd vol zit, klagen Ajacieden veel: de grasmat, het gebrek aan voetbalsfeer, het verplichte betaalmiddel (arena’s), het theatergevoel. Het ruikt niet naar Ajax.

Maar de verhuizing was onvermijdelijk, zegt Maarten Oldenhof, destijds algemeen directeur. „We moesten gewoon weg uit De Meer. Dat gaat altijd gepaard met nostalgie. De archivaris van Ajax, Wim Schoevaart, herinnerde mij er destijds aan dat toen Ajax naar De Meer verhuisde mensen zeiden: een stadion van steen is geen stadion. Een stadion moet van hout zijn.”

Ook Coronel zucht – voordat hij met zijn commissie-werkzaamheden is begonnen – eens diep. „Ik word moe van het geromantiseer van De Meer. Het comfort van de Arena is niet te vergelijken met De Meer. Romantisch geleuter. Het is terugverlangen naar warme worsten die niet warm meer zijn.”

Michael van Praag weet waar de afkeer van het stadion vandaan komt. „We gingen slechter spelen toen we naar de Arena gingen. Als we direct kampioen waren geworden, was er niets aan de hand geweest. Maar nu gingen de supporters letten op het beton, op de gracht, het gebrek aan vaantjes. In De Meer hadden we tien skyboxen, in de Arena vijftig.”

Toch hebben de toeschouwers een punt, vindt Keje Molenaar. „Er is meer afstand gekomen tussen spelers en publiek. In De Meer kon je de spelers aanraken. In de Arena kregen spelers de status van popidolen. Dat leidde tot vervreemding.” De spelers waren, volgens Molenaar, onbereikbaar geworden. „Zelfs Cruijff gaf in zijn tijd de supporters een hand na de training. Het bestuur is er niet in geslaagd die sfeer vast te houden.”

Maar niet alleen de Arena wekte wrevel. Supporters zagen de club voor hun ogen veranderen. „We waren euforisch na het winnen van de Champions League”, zegt oud-penningmeester Arie van Os. „We zochten naar wegen om het succes vast te houden.” Zoals de beursgang in mei 1998. Hoewel die Ajax 56 miljoen euro opleverde wekte de verzakelijking weerzin onder supporters op. De club presenteerde zich opeens als AFC Ajax NV, sprak met aandeelhouders en richtte een afdeling ‘klantenservice’ op. In 2001 werd die afdeling omgedoopt tot ‘supporterszaken’, omdat supporters geen klanten wilden zijn van Ajax. De toevoeging ‘NV’ werd van de spelersbus gehaald toen erelid Schoevaart zich daarover beklaagde.

Terwijl de prestaties onder trainers als Morten Olsen, Jan Wouters en Co Adriaanse slechter werden, stak Ajax veel geld en energie in het opzetten van eigen opleidingsinstituten in Ghana, Zuid-Afrika en België. Afgezien van een aantal Belgische spelers en enkele Zuid-Afrikanen leverde het weinig op. De opleiding in Ghana werd gesloten, de samenwerking met GBA in België gestaakt.

Frank Kales, oud-algemeen directeur, betreurt achteraf dat de buitenlandse deelnemingen zo veel aandacht kregen. „Het interesseert de fans niets hoe het gaat bij de filialen in Afrika en België”, zegt Kales. Ook Molenaar ziet de buitenlandse ‘gekheid’ met lede ogen aan. „Nu is Ajax met China bezig. Zorg dat je eerst je product op orde hebt voordat je het gaat exporteren.”

De beruchte vijfde colonne bij Ajax – bestaande uit oud-spelers, oud-bestuurders, oud-trainers – signaleert dat Ajax zoekende is. Ze treffen elkaar steevast op donderdagmiddag in de kantine op De Toekomst. „Dat is het hart van Ajax”, zegt Molenaar. „Daar worden trainingen, spelers en het beleid besproken.”

De meest gehoorde analyse is dat Ajax nooit het juiste antwoord vond op het Bosman-arrest, dat in 1995 de voetbalclubs in Europa overviel. Door die uitspraak van het Europees hof werd Ajax als opleidingsclub zwaar getroffen. Voor een voetballer hoeft sindsdien aan het einde van het contract geen afkoopsom meer te worden betaald als hij naar een andere club wil. De beste spelers vertrokken steeds jonger, waardoor Ajax zich gedwongen voelde spelers van buitenaf te halen – nooit het sterkste punt van de club. De meest succesvolle spelers kwamen uit de eigen jeugd. Zo ontstond een vicieuze cirkel: een dalend niveau, uitblijvende successen, trainerswisselingen en steeds weer nieuwe spelers.

„Dramatisch”, noemt Kales het technisch beleid. „Iedereen klaagt altijd over de Arena, de beursgang, de verzakelijking. Allemaal onzin. Ajax heeft miljoenen weggegooid door opportunistische korte-termijnaankopen.” Voor topprestaties is rust en continuïteit nodig, zoals Ajax tijdens de grote jaren had, onder Rinus Michels en later onder Louis van Gaal, zegt voorzitter John Jaakke. Maar zij waren uitzonderingen in de roerige clubgeschiedenis. De vraag is of die rust snel terugkeert. „Je krijgt bij Ajax geen tijd om een nieuw klimaat te creëren”, zegt algemeen directeur Maarten Fontein. „Die tijd wordt je niet gegund. Michels kwam in 1965 en pas in 1970 had hij zijn team. Van Gaal had geluk dat hij de UEFA Cup won, maar hij had ook tijd nodig.”

Dit is het begin van een korte serie.