Honderd euro

Foto Bert Spiertz / Hollandse Hoogte Nederland, Zwolle 30-05-2004 NS station van Zwolle met passagiers, oud stationsgebouw, stationsklok, stationsplein, openbaar vervoer, trein, spoorwegen, stations, mensen, jongeren Foto: Bert Spiertz/Hollandse Hoogte Spiertz, Bert / Hollandse Hoogte

Wat ik ook prikte, kenselde, herhaalde, het hielp niet. De geldautomaat wilde alleen biljetten van honderd euro afstaan. Vooruit dan maar. In stilte smeekte ik alle courante opperwezens om hulp en en genade en ik ging op weg, naar Groningen. Eerst het kaartje kopen. De mevrouw achter het prachtige, eigentijds ontworpen loket in het station Amsterdam Zuid WTC keek naar het biljet, schudde haar hoofd en zei: „Nee. Dat mogen wij niet aannemen.” Ik trok mijn nederigste gezicht. „Maar mevrouw, ik heb niets anders. Dit komt uit de automaat van een betrouwbare bank. En het is toch wettig betaalmiddel?” Dat gaf ze toe, maar het was nu eenmaal een oekaze van de directie. Geen honderdjes. Ze wees naar de uitgang. „Verderop is een bank. Probeer het daar te wisselen.”

De bank was nergens te zien; de trein ging over acht minuten. Dan maar zonder kaartje op reis? Het probleem aan de conducteur uitleggen; proberen het bij hem te kopen? Een paar jaar geleden had ik ergens gehoord of gelezen dat dit niet meer kan en bovendien zou ook hij dit biljet niet willen aannemen. Een conducteur zie je nog maar zelden in de trein, maar toch leek het risico me te groot. Ik probeerde het nog even aan het stationsbuffet. „Kunt u dit wisselen?” De jongeman van dienst zei niets, keek me met afkeer aan en schudde zijn hoofd.

Als de nood het hoogst is, is de redding het meest nabij. Een oude, vertrouwde vriend kwam de stationshal binnen. Ik leende vijftig euro, kocht het kaartje en kon nog juist in de trein springen. Verzadigd van onverwacht geluk begon ik naar buiten te kijken. Tot Zwolle zie je voornamelijk hoe Nederland gestaag verder wordt volgebouwd met industriedozen. Alleen het grote schietterrein van Oldenbroek blijft ongerept. Na Zwolle kom je geleidelijk in een ander land. Grote groene vlaktes met bosranden en hier en daar een dorpje, een keuterboerderijtje. Daar je leven slijten, denk ik altijd. Zouden die mensen gelukkig zijn? Nee, die kijken ook naar de televisie, voetbal en Joran, en af en toe lees je dat in zo’n nederzetting iemand gruwelijk aan zijn eind is gekomen. Ook zo’n afgelegen gebied wordt genadeloos gemondialiseerd.

In Groningen kostte het me geen enkele moeite mijn honderd euro klein te krijgen. Twee pakjes sigaretten, 92.20 terug. Keurige mensen daar. Verder hoefde ik niets uit te geven; ik was er te gast.

De volgende dag terug. Zwolle, de IJsselbrug, en toen plotseling een geweldige klap, ergens onder het rijtuig. Ik zag iets door de lucht vliegen, de trein remde en stond stil. Wat gebeurde er toen, in de eerste seconden? De mensen keken elkaar verbouwereerd aan. Niet ontsteld of onthutst, wat volgens Van Dale de synoniemen zijn, maar verbouwereerd. Met een mengsel van ontsteltenis en verbazing. Met een onuitgesproken ‘wat heb ik nou aan mijn fiets hangen’. Wel een minuut bleef het doodstil. De dapperste passagiers hervonden hun koelbloedigheid, begonnen uit het raam te kijken, zagen niets bijzonders. We hadden uitzicht op een boerenerfje met een paar sombere konijnen in een hok.

Daar kwam een stem door de intercom. „Dames en heren, helaas heeft onze trein op de overweg een invalidenauto aangereden. Gelukkig is de bestuurder ongedeerd. Maar wij moeten rekening houden met een aanzienlijke vertraging. Onze remmen werken niet goed meer. Misschien moeten wij terug naar Zwolle. Nadere berichten volgen.” Ook de laatste verbouwereerden kwamen weer bij hun positieven. Allen pakten hun mobieltje en meldden dat ze te laat zouden komen. De intercom kwam met meer berichten. Grote vertraging. De belangrijkste passagiers begonnen opnieuw in hun mobieltje te praten. Uw verslaggever stak zijn hoofd zo ver mogelijk uit het raam, ontdekte het autootje van de invalide. De voorkant was eraf. Je kon gerust zeggen dat de bestuurder als door een wonder was gered.

Na een half uurtje verscheen in de deuropening van de coupé een keurige heer van middelbare leeftijd. „Goedenmmmmmiddag dames en heren”, zei hij. „Ik ben de hoofdconducteur. Moet hier nog iemand worden opgevangen?” Ik moet zeggen dat ik dit niet van de Spoorwegen had verwacht. Eerst weigeren ze je honderd euro te wisselen, dan de auto van een invalide total loss rijden, per ongeluk natuurlijk, en tenslotte de passagiers opvang aanbieden. Ik aarzelde. Zonder daarover te willen opscheppen kan ik zeggen dat ik een paar beroemde rampen heb meegemaakt, en dat er daarna nooit iemand klaarstond om me op te vangen. Ik wilde weleens weten hoe dit opvangen in zijn werk gaat. Maar ik heb mijn kans voorbij laten gaan.

De trein reed in een sukkelgangetje terug naar Zwolle. Daar konden de passagiers van de Spoorwegen een kop koffie krijgen. Ik had geen tijd; moest naar het eerste perron rennen om de trein naar Amersfoort te halen. Daar overstappen. Alles was weer gewoon. Maar waarom willen de NS geen honderd euro accepteren?