Flutchocolade

Op het prikbord hangen foto’s van zusters en paters uit de missie.

‘We hebben er kogels van gemaakt”, lispelt mijn nichtje in mijn oor. Het is nieuwjaarsdag en ik lig gewillig vastgebonden op het grote logeerbed van mijn peetoom, met wollen sjaals en handdoeken als boeien. Het is midden in de jaren zestig, en buiten berenkoud.

Het jonge grut heeft zich verschanst in deze kamer, zoals bij ieder nieuwjaarsfeest. De gordijnen dichtgetrokken, en slechts een van beide leeslampjes aangestoken — het schemerduister van het gepermitteerde kattenkwaad. Zolang we onze vaders en moeders maar met rust laten, die in de living hoogoplopend roddelen over afwezigen en discussiëren over de toestand in onafhankelijk Congo. „Toen die ene het zwaard inpikte van koning Boudewijn, om ermee rond te paraderen? Toen wist ge al genoeg.” „Ze hebben al dik spijt.” „Ze moesten er nog meer afmaken.”

„En hakmessen”, fluistert mijn nichtje, „dat hebben we er ook van gemaakt.” Ze houdt mij een mesje voor dat ze zelf gekneed heeft, daarnet, uit het zilverpapier rond de repen chocolade waarmee we zoet worden gehouden. In de living vloeit de sterke drank rijkelijk, hier staan overal bowls met chips en pindanoten, en op de vloer een houten bak met flesjes Coca-Cola en Orangina. De verre geur van sigaren en koffie mengt zich met die van onze zweetsokken. We mogen echt alles van mijn peter, behalve met onze winterschoenen op en neer dansen op het logeerbed, met zijn zijden sprei vol glimmende frutsels en oosterse borduursels. Aan de muur hangt een luipaardvel naast een angstaanjagende masker met holle ogen en rieten haardos. „Aaarrggh!” fluistert mijn nichtje, terwijl ze haar mes te pletter stoot tegen mijn borst. „Kasavubu! Katanga, boeloe-boeloe!” Met een kreetje laat ik mijn hoofd opzij vallen, de ogen langzaam sluitend.

Ik voel een lichte kriebeling waar haar mes me heeft gestoken en een sterk schuldgevoel omdat we het zilverpapier niet mooi hebben gladgestreken, of juist tot een balletje samengepropt, en het in de zak van onze jas hebben weggeborgen. In die van mij zitten al vier andere proppen klaar om na de kerstvakantie mee naar school te nemen.

Daar staat, in de eindeloze inkomgang, met tegels in duizelingwekkend geometrisch motief, een koloniale reiskoffer. Elke ochtend staat zijn deksel open, een waarschuwende inkijk biedend. De oogst aan zilverpapier rijst elke dag de randen tegemoet, een week lang. Op maandag beginnen we weer met een lege koffer.

Op het prikbord erboven hangen foto’s van lachende zusters en paters uit de missie, van kop tot teen gekleed in wit, naast vrijwel naakte negerkinderen. Eentje zit kraaiend in een wastobbe, met dichtgeknepen ogen. „Dat witte schuim? Uit roze zeep? Dat had hij nog nooit gezien!” Zo meldt het regelmatige handschrift op de achterkant van een vergeelde ansichtkaart.

Het stevigste zilverpapier zit om de goedkoopste reep. Omdat het, volgens mijn broer, gaat om Hollandse flutchocolade. Te veel melk en zoetigheid, te weinig chocoladesmaak. „Zit ge nu weer die Hollandse brol te vreten?” Op het papieren wikkel staat een lichtblauwe koe afgebeeld, die voor zich uitkijkt in een even blauwe wei. Over het tafereel is een groot raster afgedrukt in weer datzelfde blauw, alsof het bestaat uit vierkante puzzelstukken. De reep zelf bestaat eveneens uit vier gelijke, gladde, aantrekkelijke stukken. „Het blijft brol”, weet mijn broer. Hij zweert bij Belgische chocolade. Op het wikkel daarvan staat een trompettende olifant.

„Verrassing!” Mijn peetoom komt zijn logeerkamer ingestapt, riekend naar sigarenrook en cognac, een doos pralines in de hand. Het jonge grut stort zich er juichend op – het flinterdunne beschermpapiertje dat de pralines afdekt, steek ik heimelijk op zak, al is het aan één kant goudkleurig.

De deur naar de living is blijven openstaan. De stemming lijkt er bedrukt. Mijn oudste neef, een jonge zakenman, net terug uit Afrika, is als enige aan het woord. Voor ik naar de logeerkamer werd gestuurd was hij al begonnen aan zijn wedervaren. „Voor mijn ogen”, zei hij. „Op klaarlichte dag. Achter het stuur van zijn Volkswagen. Op slag dood. Ik heb nog nooit zulke luide knallen van zo dichtbij gehoord. Ik mag echt van geluk spreken.”

Mijn peetoom deelt inmiddels ons jaarlijkse zakgeld uit. Hij wappert met een forse stapel biljetten, kraakvers, de kleinste coupure — twintig Belgische frank, in hetzelfde blauw als de Koetjesreep. Op de ene kant staat koning Boudewijn, op de andere kant het Atomium. „Als je Boudewijn eens tegen het licht houdt?”, grinnikt mijn peetoom, de daad bij woord voegend, gebruikmakend van de ene leeslamp. „Dan zie je zijn ballen hangen!”, juichen de oudsten. „Achter zijn oren!’”

Ze krijgen als beloning een extra biljet van mijn gevierde peetoom. Globetrotter, lokaal textielbaron, belegger in uitheemse deviezen, en werkgever van tientallen. Zo rijk als de zee diep is, zegt men.

Hij stierf in armoe. Al jaren failliet, en zonder zijn vroegere meubels. Maar met een koffer tot de rand gevuld met waardeloze aandelen.