dna van eeneiige tweeling is niet altijd identiek

Zelfs het DNA van eeneiige tweelingen is niet per se identiek. Dat blijkt uit een gedetailleerde studie van Amerikaanse, Zweedse en Nederlandse onderzoekers aan het DNA van negentien tweelingen. Het bewijst eens te meer dat ons DNA veel plastischer is dan aanvankelijk werd aangenomen (American Journal of Human genetics, online, 14 februari)

De onderzoekers werden op het spoor gezet door negen Zweedse tweelingen, waarvan de een niet en de ander wel de ziekte van Parkinson kreeg. Die ziekte hangt deels van aanleg en deels van omgeving af. De studie bevestigde het vermoeden van de onderzoekers dat een structurele verandering in het DNA van de ene tweelinghelft tot de ziekte had geleid. Zo kan tweelingonderzoek helpen om DNA-gebieden op te sporen die bij ziekte betrokken zijn, schrijven zij. En tweelingonderzoek om erfelijke en omgevingsfactoren te scheiden wordt, door dergelijke DNA-veranderingen op te sporen, nog preciezer.

De verandering in het DNA is het gevolg van copy number variatie (CNV) - het optreden van foutjes bij het kopiëren van DNA tijdens de celdeling. Stukken DNA worden weggelaten of juist twee keer of vaker gekopieerd.

Hoe groot het effect van zo’n CNV is, hangt af van het moment in de ontwikkeling waarop de verandering optreedt. Gebeurt dat kort na de bevruchting, bij de derde of vierde celdeling, dan is de variatie uiteindelijk terug te vinden in ruwweg tien procent van de lichaamscellen. Treedt CNV op bij de vijftigste celdeling, dan is de frequentie later zo laag, dat je de verandering niet meer opmerkt, zegt mede-auteur Gert-Jan van Ommen, hoogleraar genetica bij het Leids Universitair Medische Centrum en directeur van het Nederlandse Center for Medical Systems Biology.

Ook de grootte van de CNV doet ertoe. De verdubbelingen of weglatingen betreffen stukken van duizenden tot miljoenen basenparen, en er kunnen dus een of meer genen op liggen. Zo kunnen CNV’s soms tot subtiele verschillen tussen individuen en zelfs eeneiige tweelingen leiden. Het merendeel van de CNV’s is goedaardig, aldus Van Ommen.

De DNA-verschillen bij de Zweedse tweelingen bleken relatief groot en vroeg ontstaan. In tien procent van de cellen was een groot stuk van chromosoom 4 weg.

Dat zulke verschillen nu opgespoord kunnen worden, is te danken aan steeds fijngevoeliger apparatuur en van snelle technieken die het mogelijk maken grote delen van het DNA te vergelijken en dat vele malen te herhalen voor DNA uit verschillende weefsels.

Tegelijkertijd kunnen deze technieken ook misleidend zijn bij het opsporen van genen voor ernstige erfelijke aandoeningen, waarschuwen de genetici. De kans bestaat dat een toevallig aangetroffen onschuldige CNV ten onrechte als boosdoener wordt aangemerkt. Want ook bij de tien gezonde tweelingen werden, soms zelfs relatief grote, CNV’s gevonden.

Margriet van der Heijden