Bezield door de tijdgeest

Het Centraal Museum heeft mode, vormgeving en film bijeen- gebracht in de ambitieuze tentoonstelling Script.

Bernard Hulsman

Set 9 van Script: 1780 Foto’s Centraal Museum Utrecht Centraal Museum Utrecht

Het is gemakkelijker om in de tijdgeest te geloven dan in God. Voor het bestaan van God zijn geen harde bewijzen te vinden, maar voor de Zeitgeist zijn ze eenvoudig te construeren. Het is niet moeilijk om uit elk tijdperk gebouwen, interieurs, kleding, schilderijen, beelden en gebruiksvoorwerpen bijeen te brengen die allemaal lijken bezield door dezelfde geest. Zo werden in de jaren in 1720-1775 niet alleen delirische gebouwen neergezet, maar hadden ook meubels gekrulde poten en veel ornamenten, droegen vrouwen én mannen veellagige kleding met ruches en complexe pruiken, kende ook de muziek rijke versieringen en excelleerden schilders als Watteau in verfijnde, pastelkleurige taferelen die moeiteloos allemaal onder de noemer rococo kunnen worden geschaard. Dat boeren zonder pruiken toen in knoestige boerderijen woonden, op eenvoudige houten stoelen zaten en op feestdagen de horlepiep dansten, doet er niet toe. In stijlgeschiedenis gaat het altijd om de kunst van de elite.

Het construeren van bewijzen voor het bestaan van de Zeitgeist is een vermakelijk tijdverdrijf. Het was dan ook een goed idee van het Centraal Museum in Utrecht om de grote collectie meubels, gebruiksvoorwerpen de komende zes maanden te tonen in negen sets, decors dus, die elk een tijdperk vertegenwoordigen. Dat films (en één computerspel), en dan met name kostuumfilms uit de afgelopen twintig jaar, de inspiratiebron zijn voor de negen decors, is geen bezwaar. Integendeel, de verbinding met films als Dangerous Liaisons van Stephen Frears (1988) en Sense and Sensiblity van Lee Ang (1995) vergroot juist het feest der herkenning.

Script. Mode en interieur van salon tot house had dan ook alles in zich om een fantastische, zeldzaam brede tentoonstelling over de werking van de Zeitgeist te worden. Maar het is een faliekante mislukking. Dit begint al met de filmkeuze. Dat er geen Nederlandse films zijn gekozen, kun je vanuit nationalistische overwegingen betreuren, maar is op zichzelf geen bezwaar. Maar doordat veel films zich in de negentiende eeuw afspelen, krijgt deze periode 1800-1900 wel erg veel nadruk gekregen op Script. Zo is er een set gewijd aan gewijd aan 1810 (Sense and Sensibility), 1840 (Young Mr Lincoln van John Ford uit 1939), 1860 (Madame Bovary van Claude Chabrol uit 1991) en aan 1890-1930 (Monsieur Proust van Raul Ruiz uit 1999). De jaren vijftig, zestig en zeventig van de twintigste eeuw, toch periodes die allemaal hun eigen stijl en tijdgeest heten te hebben, ontbreken daarentegen geheel.

Bovendien spelen de films in acht van de negen sets een onduidelijke, maar altijd ondergeschikte rol. Exemplarisch is het eerste decor dat het tijdperk 1980-heden vertegenwoordigt. Nadat de bezoeker eerst langs een lange, veelbelovende vitrine is gelopen met beeldschermen die filmfragmenten vertonen, belandt hij in een donkere ruimte waar dance klinkt. Blade Runner, weliswaar niet een historische film maar een distopie uit 1982 en Paul Verhoevens Basic Instinct uit 1992 zijn hier de inspiratiebronnen. Maar van de onheilspellende mengeling van verroeste negentiende-eeuwse ijzerarchitectuur en science-fictionelementen die Blade Runner kenmerken, is geen spoor te bekennen. Op de wanden zijn slechts een paar knullige gotische ramen geprojecteerd en midden in de zaal staan paspoppen met kleding van onder anderen Jean-Paul Gaultier en Vivienne Westwood. Volgens een toelichtende tekst is het bedoeling dat we in ons in een club uit het laatste fin de siècle wanen waar de bezoekers „hun eigen identiteit vormgeven, het verhaal van hun leven vertellen”.

In de latere sets is iets (maar niet veel) meer te zien – de hele tentoonstelling kost een aandachtige bezoeker niet meer dan een drie kwartier. Behalve paspoppen met kleding staan er ook bedden, kasten en andere huisraad en aan sommige wanden hangt een enkel schilderij. Maar vaak is het een ratjetoe, zodat er van de werking van de tijdgeest weinig te bespeuren valt. Zo staan in het derde decor, 1890-1930, ook stoelen uit de eerste helft van de negentiende eeuw.

De enige set waar film een echt verbond aangaat met mode en interieur is de vijfde, met als tijdsaanduiding 1925. Hier is de Russische constructivistische film De man met de filmcamera van Dziga Vertov te zien (zie inzet) en staat een flink aantal Rietveldmeubels opgesteld. Op een muziekstandaard ligt bladmuziek van de Franse componist Francis Poulenc en twee poppen hebben jurken uit de jaren twintig aan.

Alleen de laatste twee sets, nummer 8 en 9, aan het einde van de tentoonstelling laten iets zien van wat Script had kunnen zijn. Set 9, de verbeelding van het jaar 1780, wordt nog beheerst door de rococo. Weliswaar dateert een gueridon, een bijzettafeltje, uit 1712, maar alles hier is verfijnd, bijna teer en overladen met versieringen. Hoe anders is het in de voorlaatste set, een interieur uit 1810. Hier heerst de nobele eenvoud van het neo-classicisme en dragen de vrouwen eenvoudige empire-jurkjes met pofmouwtjes. De meubels zijn uiterst sober en de overheersende kleur in het interieur is een landelijk zachtgroen. Dertig jaar zit er slechts tussen beide sets, maar ze laten twee verschillende werelden zien. Je zou er bijna gelovig van worden.

Tentoonstelling: Script. T/m 8 aug. in Centraal Museum Utrecht