Zolang het kwaad is, is het goed

Oorlog is een drug. Wie eenmaal de sensatie heeft gekend naar het leven te worden gestaan, heeft moeite terug te keren naar de gewone wereld. Daarover gaat de nieuwe film van Paul Haggis, ‘In the Valley of Elah’.

In een recent nummer van The New York Review of Books stond een essay van Tony Judt getiteld The ‘Problem of Evil’ in Postwar Europe. Gedeeltelijk ging dat essay over de zin en onzin van het herdenken van de holocaust, en de gevaren die aan bepaalde vormen van herdenken kleven. Voor een ander deel ging het stuk wel degelijk over wat in de titel werd aangekondigd: het probleem van het kwaad.

Judt citeert Hannah Arendt die in 1945 schreef dat ‘het probleem van het kwaad de fundamentele vraag zal zijn in het naoorlogse intellectuele leven in Europa’. Met enige vertraging, zo constateert Judt, heeft Arendt gelijk gekregen.

Maar dat gelijk blijft niet beperkt tot de deelnemers aan het intellectuele leven. Alle burgers lijken doordrongen van het bestaan van het kwaad, en de imminente dreiging die aan dat bestaan nu eenmaal kleeft. Gelukkig wordt dat kwaad vervolgens met het grootste gemak herkend. In George Bush, Saddam Hoessein of Arik Sharon. Dan wel in de islamofascisten, Ayaan of Geert Wilders. Desnoods in Joran van der Sloot of Peter R. de Vries. Zolang het maar het kwaad is, is het goed.

Gebrekkige informatie en deskundigheid zijn in deze een pre. Want het herkennen van het kwaad schijnt een instinctief proces te zijn. Je ziet het, je herkent en je weet het: daar is het kwaad. Daarna moet het alleen nog bestreden worden. En ook dat schijnt een instinctieve aangelegenheid te zijn. Wie zich daarvan wil overtuigen, moet maar eens de lezersreacties op de website van De Telegraaf bekijken. Dat de website van deze krant lezersreacties slechts beperkt mogelijk maakt, zal geen toeval zijn. Men vreest, vermoed ik, de bestrijders van het kwaad.

De conclusie die Tony Judt trekt, lijkt me gerechtvaardigd. Het discours over het kwaad is volledig gebanaliseerd en daarmee feitelijk onschadelijk gemaakt. Het gaat veeleer om de viering van het opstootje van de week, waarbij de kijkcijfers het doorslaggevende bewijs zijn voor het succes van de viering. In zo’n omgeving is tolerantie verworden tot scheldwoord, want wat men tolereert is per definitie het kwaad.

‘Van iedereen houden is van

niemand houden’, schreef Freud. Zo is het ook met het kwaad. Wie het overal herkent, herkent het nergens meer.

Voor een gedeelte is de banalisering van de discussie, vrees ik, te wijten aan het woord zelf en de associaties die het oproept. Het kwaad is absoluut, het woord heeft onmiskenbare religieuze en idealistische connotaties. Van hen die het kwaad hebben gezien, wordt nu eenmaal meer verwacht dan dat ze er zorgvuldig overheen stappen. Het is geen hondenpoep.

En wie het bestaan van het kwaad heeft erkend, moet toegeven dat het tegenovergestelde dan ook wel zal bestaan: het goede. Een zeker idealisme is de mens niet vreemd. Voor je het weet zit je in de drietrapsraket van de socialistische revolutie: definiëren, isoleren, elimineren.

Om te beginnen zou het misschien nuttig zijn, sprekend over het kwaad, onderscheid te maken tussen de individuele psychopaat en de maatschappij die zich zo ontwikkelt dat schijnbaar welwillende en schijnbaar redelijke burgers overgaan tot het verrichten van destructieve handelingen.

De individuele seriemoordenaar die doodt om het doden zelf heeft meestal geen ideologie tot zijn beschikking om zijn daden respectabel te doen lijken.

Robert Hawkins liep op 5 december 2007 een winkelcentrum in Omaha binnen. Hij schoot acht mensen dood, en vervolgens zichzelf. Hij was negentien. In een afscheidsbrief liet hij weten dat het hem speet, maar dat hij nu wel beroemd was. De aantrekkingskracht van roem mag niet worden onderschat, maar een ideologie is roem vooralsnog niet.

Wellicht is het nuttig om niet over het kwaad te spreken maar over menselijke destructiviteit. Dit om duidelijk te maken dat we het niet over aardbevingen en tsunami’s hebben die vooralsnog eerder onder goddelijke destructiviteit vallen. Ik geef toe dat deze redelijke gedachte problematisch is. Voor je het weet ga je op Heinrich Himmler lijken, die op het eind van de oorlog, toen hij inzag dat die was verloren, met het idee speelde een verzoeningscommissie van joden en Duitsers samen te stellen. Onder het genot van een goed glas wijn en een smakelijke maaltijd zouden de beide volkeren nader tot elkaar hebben kunnen komen.

Wie het kwaad (of de menselijke destructie) wil begrijpen, zonder meteen tot vergoelijking over te gaan, zal de aantrekkingskracht van die destructie onder ogen moeten zien. Wie denkt immuun te zijn voor die verleiding, wie denkt dat de vernietiging hem nooit zal kunnen verleiden, trekt zich terug uit het debat. Niet zoeken naar waarheid leeft misschien prettiger, maar je mist wel wat.

In haar boek over Eichmann schrijft Hannah Arendt: ‘Evil in the Third Reich has lost the quality by which most people recognize it – the quality of temptation.’

Of Arendt daar volledig gelijk in heeft, is een punt van discussie. Haar scherpe aforisme maakt in ieder geval duidelijk waaraan wij het kwaad, uitzonderingen daargelaten, kunnen herkennen: zijn verleidelijkheid, zijn niet aflatende aantrekkingskracht.

In zijn belangrijke boek War is a force that gives us meaning probeert voormalig oorlogscorrespondent Chris Hedges die fatale aantrekkingskracht in kaart te brengen. Hij concentreert zich daarbij op een paar recente oorlogen die hij zelf heeft verslagen. Zeker, oorlog kan niet zonder meer gelijk worden gesteld aan het kwaad. Maar het is wel de belangrijkste manifestatie van dat kwaad, en een onmisbaar vehikel ervoor. Vooral nu oorlog een ruim begrip is geworden. Wat voor de een terrorisme is, heet elders asymmetrische oorlogsvoering.

In zijn voorwoord schrijft Hedges: ‘The enduring attraction of war is this: Even with its destruction and carnage it can give us what we long for in life. It can give us purpose, meaning, a reason for living. Only when we are in the midst of conflict does the shallowness and vapidness of much of our lives become apparent.’

Het zijn de staat, oorlogscorrespondenten, historici, schrijvers en filmmakers die aan de oorlog mythische krachten toekennen, zegt Hedges, die die oorlog vaak ook heeft.

Met andere woorden, oorlog is een drug. Wie eenmaal de sensatie heeft gekend naar het leven te worden gestaan, heeft moeite terug te keren naar een wereld waarin dat niet meer het geval is. Hedges beschrijft hoeveel moeite het hemzelf kostte. Ook geeft hij voorbeelden van collega’s die niet terug konden of wilden keren.

Over de terugkeer van het slagveld

naar de wereld die geen slagveld is, of beter gezegd naar een wereld die dat op een dubbelzinnige en minder directe wijze is, gaat de nieuwe film van Paul Haggis, In the Valley of Elah.

Over de oorlog in Irak gaat die film eigenlijk nauwelijks. In die zin dat het er niet om gaat of die oorlog al dan niet terecht was en of zij die indertijd voor die oorlog waren zich nu moeten schamen, of dat het uiteindelijk allemaal toch heel uitstekend en prima is.

Al die overwegingen van politici, diplomaten en commentatoren die zelden tot nooit in de buurt van een slagveld komen zijn de meeste militairen vreemd.

In zijn boek Generation Kill schrijft journalist Evan Wright over de invasie van Irak in 2003, die hij zelf meemaakte. Aan het woord komt een Amerikaanse marinier die meent dat het Bush uitsluitend om de olie te doen is. Toch valt hij met niet minder enthousiasme Irak binnen dan andere militairen die menen een nobele missie te volbrengen. Dus waarom vecht hij? Voor zijn land? Nee, of althans nauwelijks. Voor zijn makkers? Ja. Maar uiteraard ook voor de drug die oorlog is.

Militairen en burgers in de buurt van het slagveld, die niet te vergeten, kennen andere zorgen en vreugdes dan commentatoren die hun steun aan de oorlog intrekken of toezeggen.

Om nou te zeggen dat In the Valley of Elah totaal niet over de oorlog in Irak gaat is evenmin waar. De oorlog in Irak is voor Haggis eerder een illustratie bij zijn redenering. Al was het maar omdat die oorlog vermoedelijk niet gruwelijker is dan de meeste andere oorlogen. Om wat er eventueel uitzonderlijk is aan de oorlog in Irak, is het Haggis niet te doen.

Mijn hoopvolle gedachte dat het zinvol is onderscheid te maken tussen individuele psychopaten en een maatschappij die redelijke burgers onder redelijke voorwaarden aanzet tot destructie, wordt door deze film tegengesproken. De centrale these van In the Valley of Elah is dat een individuele psychopaat begrepen moet worden als een product van de maatschappij. En een maatschappij is misschien niet volledig maar toch zeker gedeeltelijk de oorlog die in haar naam wordt uitgevochten.

De film begint ermee dat een vader wordt gebeld dat zijn zoon, die in Irak heeft gediend en die net terug is in Amerika, vermist is. Hij is niet tijdig teruggekeerd naar de basis. Een vrouw is in zo’n geval de meest logische verklaring. De vader, die al een zoon aan het leger heeft verloren, en die zelf ook militair was, besluit dwars door Amerika te rijden naar de basis waar zijn zoon gelegerd is. Hij vertrouwt het niet.

Over Tommy Lee Jones die de vader, Hank Deerfield, speelt is veel goeds gezegd, maar hij kan niet voldoende worden geprezen. Zijn bijna onredelijke fatsoen, zijn gestolde hardheid, de schijnbare verstening van die man; een verstening waarin scheurtjes komen als zijn zoon niet ver van de basis wordt gevonden, in stukken gesneden en slordig verbrand – Tommy Lee Jones draagt de film.

Over het algemeen doden mensen niet graag soortgenoten, dat moet ze worden nagegeven. Oorlog is regel, geen uitzondering, dus deze tegenzin komt wellicht als een verrassing. Maar mensen kunnen er wel toe worden gebracht om te doden, al is er het een en ander voor nodig. Mythologie om te beginnen. Dat de mensen die je doodt geen mensen zijn maar bijvoorbeeld heksen, dat het doden gesanctioneerd is door God, de staat of anders wel de revolutie. Dat het niet alleen iets goeds is wat je aan het doen bent, maar eigenlijk ook iets heiligs.

Een flink aantal Amerikaanse soldaten die in 1944 op het strand van Normandië landden, liet zijn wapen ongebruikt. Of dit uit principiële redenen was of uit angst weet ik niet, ik vermoed het laatste.

Wat het ook is, voor een leger is het onaangenaam als soldaten die moeten schieten dat niet doen.

Dit probleem is tegenwoordig vrijwel opgelost. De training is beter geworden. Het komt nauwelijks meer voor dat Amerikaanse soldaten tijdens gevechtshandelingen verstijven en hun wapens ongebruikt laten.

Nogal wat Amerikaanse militairen die in Irak hebben gediend berichten dat ze plezier beleven aan het schieten, zolang ze niet van nabij geconfronteerd worden met de gevolgen ervan. Er is geen reden aan te nemen dat militairen uit andere landen dit anders beleven.

Chris Hedges schrijft in

zijn boek over het slagveld: ‘Casual encounters are charged with a raw, high-voltage sexual energy that smacks of the self-destructive lust of war.’

Dat de nabijheid van de dood de behoefte aan seks onder militairen versterkt, zoals meerdere malen is vastgesteld, komt niet als een verrassing. Het gaat misschien te ver om te zeggen dat het doden zelf een erotische activiteit is, maar de suggestie van Hedges dat het slagveld erotiserend werkt, is voor beter begrip van wat oorlog is onmisbaar.

In Afghanistan heb ik met jonge militairen gesproken die met trots spraken over de gevechten van hun eenheid inclusief de verliezen en de gewonden die dat had opgeleverd. Er sprak uit hun woorden een zekere hunkering naar het gewond raken. Zoals een maagd kan hunkeren naar seks. Niet om terug te mogen naar Nederland, maar om het te hebben meegemaakt. Dergelijke uitlatingen waren uitzonderlijk, maar zijn niettemin veelzeggend.

Freuds doodsdrift tiert welig op het slagveld, in overmoedige en minder overmoedige varianten.

Seks tussen militairen en tussen militairen en burgers tijdens oorlog is een taboe. Een nog groter taboe is de erotische dimensie van het slagveld, de verleidelijke kant van de necrofilie. Voor je het weet rukt een keurig NAVO-leger het terrein van Markies de Sade op (zie onder andere Abu Ghraib).

Paul Haggis claimt niet dat de oorlog in Irak rechtstreeks in verband moet worden gebracht met enige erotische activiteit. Maar wie goed kijkt, ziet dat de gevolgen van die oorlog voor de militairen haarfijn samenvallen met wat Hedges zo goed verwoord heeft: ‘high-voltage sexual energy that smacks of the self-destructive lust of war.’

Tussen bezoek aan stripclub, moord en het eten van een gebraden kippetje zit in de film van Haggis nauwelijks tijd. De ene activiteit gaat geruisloos in de ander over.

Overigens is dit laatste gedeeltelijk gebaseerd op ware gebeurtenissen in Irak waarbij militairen nadat zij illegaal burgers hadden gedood zichzelf trakteerden op een kippetje. Dat militairen zichzelf trakteren op een gebraden kip nadat ze legaal hebben gedood, is minder schokkend. Daarom lezen we er vermoedelijk zelden iets over.

Hank Deerfield vertrouwt niemand

, dus ook de politie niet. Hij gaat zelf op onderzoek uit en neemt daarbij de mobiele telefoon van zijn zoon in beslag. Op die telefoon staan filmbeelden. Van slechte kwaliteit, zoals dat nu eenmaal gaat met filmpjes die op een mobiele telefoon zijn gemaakt. Beelden die zijn zoon van de oorlog heeft gemaakt. En veel meer krijgen we van Irak niet te zien. Maar juist die onesthetische beelden geven een realistische weergave van het slagveld: chaotisch, beeld en geluid van slechte kwaliteit, en moeilijk te begrijpen, ook al zit je er middenin.

Nogal wat militairen schijnen als ze thuis terug zijn te verlangen naar het slagveld. Dit zou ons niet meer moeten verbazen.

Je kunt wachten tot je weer mag.

Of je kunt de oorlog naar huis halen, zoals in In the Valley of Elah gebeurt.

De film eindigt met Tommy Lee Jones die een Amerikaanse vlag verkeerdom ophangt. Dit betekent: help, wij hebben dringend hulp nodig.

De scène is geridiculiseerd in een Nederlandse recensie, maar ik vond hem ontroerend. Volgens mij is die scène ook de kwintessens van de film.

Niet omdat we aan de onware gemeenplaats moeten geloven dat we allemaal zo zouden zijn als de soldaten in In the Valley of Elah. Maar omdat verslaving aan oorlog de maatschappij in haar totaliteit beïnvloedt.

Om een bekende uitspraak te parafraseren: in het midden van de schepping hebben wij een immense leegte ontdekt waarin oorlog en destructie uitstekend passen.

‘In the Valley of Elah’ draait nu in de bioscopen.