Zet achter een woord, en het wordt een erg woord rette

Neem een fatsoenlijk woord uit de Nederlandse taal, dus ik noem waar wat: boekwinkel, wasserij, eetgelegenheid – vermink het een beetje en zet er rette achter, en je hebt de hele degeneratie van ons tijdsgewricht in beeld. Op die manier raakte in de negentiende eeuw het klassieke zangspel dat bij Monteverdi was begonnen, al verloederd tot de operette – de opera voor het mindere volk.

Alleen al uit snobisme heb ik het genre altijd gemeden als de pest. Een nieuw jaar durf ik ook pas te vieren op 2 januari, als het Nieuwjaarsconcert uit Wenen voorbij is, en de schlagerflarden van Strauss voorgoed zijn verklonken.

Ik ga morgen ook niet naar het concert (of hoe moet je dat noemen?) waar Johan Heesters optreedt met een repertoire dat in oude UFA-studio’s van Marika Rökk tot Zarah Leander reikte, en waarin hij duizenden keren de charmeur speelde.

Op onduidelijke i-Tube-beelden zag ik de 104 jaar oude heldentenor voorgereden worden bij z’n hotel in Amersfoort. Het was nog een hele hijs om het lichaam de auto uit te krijgen. Toen ze hem eindelijk rechtop hadden gekregen – pullover over een hedendaags schillerhemd, jeugdige sjaal om de stokoude nek – bedacht ik ineens dat hij mijn vader had kunnen zijn, en schoten me de beginregels van een gedicht van Marsman te binnen: ‘beneden mij? boven mij?/aan welken kant en in welk heelal?’

Tussen zijn 46 jaar jongere vrouw (die dus ook al aardig naar de zestig loopt) en Pieter Erkelens schuifelde de krasse zanger tenslotte naar binnen. Erkelens, directeur van theater De Flint, is de gastheer van het evenement. Toen hij vorig jaar had gelezen dat het de hartewens van ‘Jopie’ was om nog één keer in z’n geboortestad op te treden, aarzelde hij geen moment, en zeker niet vanwege Heesters oorlogsverleden.

„Daar heb ik”, verklaarde hij onlangs in een interview, „geen mening over.” Every inch de Nederlandse middenstander, die in de oorlog zonder bezwaar Nicht für Juden op z’n gevel zou hebben geplakt, omdat theater en politiek nou eenmaal niks met elkaar te maken hebben.

Wel zocht hij voor de zekerheid nog even contact met de burgemeester van Amersfoort, want als je nergens een mening over hebt kun je je maar het best indekken bij de overheid. Gelukkig had de burgemeester ook niet zo veel oordeel over een 104-jarige superbejaarde die in lastige oorlogsjaren had doorgezongen zoals een ander naar kantoor was blijven gaan, of branden was blijven blussen, of dieven was blijven vangen, of gloeilampen was blijven maken, maar die verder geen vlieg kwaad had gedaan. En gelukkig waren de burgemeester en de theaterdirecteur allebei dol op operettemuziek.

Er dreigen morgen ook maar een paar ongerieven voor mensen die uit liefde voor de operette een kaartje hebben gekocht. Ze moeten door een detectiepoortje. Als ze geen paspoort bij zich hebben komen ze er niet in. Binnen wemelt het van veiligheidsagenten, en buiten van smerissen en mogelijk de ME. Halverwege de vertoning tenslotte kunnen midden in de zaal twintig of dertig antifascistische bezoekers opstaan die Heesters ‘raus roepen, en onder hun jas gestreepte gevangenpakken uit Dachau blijken te dragen.

Jopie is bijna blind, dus die ziet ’t niet, en z’n gehoor is achteruit gegaan, dus hij zal waarschijnlijk, net als in de oorlog, blijven doorzingen. Met een stem die het amper meer doet, en met benen die hem nauwelijks nog overeind kunnen houden, mag hij dankzij Piet Erkelens op de planken van de Flint te kijk staan – zoals miraculeuze tegennatuurlijkheden nog vaak worden tentoongesteld op de eerste de beste kermis.

Het lijkt me erger dan misère. Het lijkt me miserette.

Lees alle eerdere columns van Blokker via nrcnext.nl/blokker