Strijd om een beter leven op de rubberplantage

Natuurrubber is in korte tijd zes keer zo duur geworden, nu China de grootste consument is. Liberia is producent. Het land heeft de grootste rubberplantage ter wereld. Niet iedereen profiteert.

Achter het rood-witte toegangshek begint de orde. Glooiende velden met duizenden rijen symmetrisch geplante bomen. Langs de hoofdweg bordjes die de maximumsnelheid aangeven. Bakstenen huizen uit een andere tijd; een schoolplein met een hek eromheen en een mast waarin fier de Liberiaanse vlag wappert. Hier liggen de beste asfaltwegen van Liberia. Hier hebben de kinderen een speeltuin en heeft het ziekenhuis een ambulance. Hier ligt ’s lands enige golfbaan.

Dit is de grootste rubberplantage ter wereld. Natuurrubber is, net als andere grondstoffen, scherp in prijs gestegen: sinds 2004 meer dan 600 procent. China is veruit de grootste afnemer geworden van alle natuurrubber, gevolgd door de VS en Japan.

Wie een officieel bezoek aan deze plantage brengt, krijgt een pr-reisje langs de voorzieningen die eigenaar Firestone voor het personeel heeft gebouwd. Het produceren van rubber is slechts een deel van Firestone’s werk in Liberia, zegt de website van het bedrijf: minstens zo belangrijk is „het vooruithelpen van het land en de bevolking”. Afgaand op de website zou je denken dat Firestone in de hulpverlening zit. Ook een woordvoerder gooit het over die boeg. Daarom ziet het bezoek schoolpleinen vol spelende kinderen en mag het een nog naar verf ruikend ziekenhuis bezichtigen. Een rondleiding door een houtzagerij in aanbouw moet de intentie van Firestone onderstrepen om miljoenen dollars in ontwikkeling te investeren. En het bezoek mag zeker niet de velden overslaan waar jonge bomen worden gekweekt.

Een onofficieel bezoek aan de plantage laat een minder gepolijst beeld zien. Een doorsnee kamp voor rubbertappers bestaat uit een reeks lage, met krom hout en leem bij elkaar gehouden krotten rond een waterput. Die waterput is meteen ook het modernste apparaat in het kamp. Het krioelt er van de kinderen. Tumbay (32) werd hier geboren. Na de middelbare school trad hij in de voetsporen van zijn vader, die rubbertapper was. „Andere banen waren er niet.”

Het werk begint iedere ochtend om vijf uur. Door inkervingen in de stam te maken stroomt het witte sap langs de schors naar beneden. Iedere arbeider ‘doet’ tussen de 600 en 800 bomen per dag. Na het kerven sjouwt hij een houten juk met volle emmers latex naar een weegstation, waar het met ammoniak wordt gemengd om stollen te voorkomen. Mannen als Tumbay hebben een dikke laag eelt tussen nek en schouder, op de plek waar het juk tegen de huid aan schuurt. Het dagloon is 3,38 dollar (2,31 euro).

Firestone, sinds eind jaren tachtig eigendom van de Japanse autobandenmaker Bridgestone, is na de overheid de belangrijkste werkgever van Liberia. Acht miljoen rubberbomen bieden werk aan meer dan 6.000 arbeiders, die met hun gezin op het terrein leven. Nog eens 3.000 oproepkrachten wonen in de buurt. Zij zijn de gelukkigen. Een baan bij Firestone is een lot uit de loterij. 80 procent van de bevolking is werkloos. De plantage is onmisbaar in een land dat drijft op een handjevol natuurlijke rijkdommen. Liberia heeft geen industrie, geen landbouw, geen infrastructuur. Zonder rubber raakt de staatskas leeg.

Regelmatig gaat het mis op de plantage. Uit een rumoerige groep arbeiders stapt een tanige man naar voren met een melkwit oog. De rubberbomen worden behandeld met chemicaliën om ze productiever te maken. Wie die per ongeluk in zijn oog krijgt, kan blind worden. „Er is geen oogspecialist in het ziekenhuis”, zegt vakbondsvrouw Comfort Willie, die het bezoek rondleidt. „Je krijgt een verbandje en klaar. Deze man is niet eens naar het ziekenhuis gegaan. Dat is zo een uur lopen. Veel tappers hebben niet door hoe gevaarlijk dat spul kan zijn.” Krijgen ze compensatie van de werkgever? Willie schudt van nee en lacht uitbundig bij zoveel naïveteit. „Vergeet het maar.”

Met brandende ogen en een prikkende neus verlaat het bezoek het kamp. Sorry, ze hebben waarschijnlijk net met pesticiden gespoten, zegt een van de arbeiders verontschuldigend. De andere tappers knikken. Zelf merken ze het allang niet meer.

Firestone gruwt van negatieve publiciteit. Kritische vragen worden tijdens het officiële bezoek bruusk van tafel geveegd. Mocht er bij Firestone al iets mis zijn gegaan, dan is dat te wijten aan de burgeroorlog (1989-2003) waar het bedrijf evengoed slachtoffer van was, zegt de woordvoerder. Daar zit wat in: op de plantage herinneren bakstenen geraamtes van geplunderde en in brand gestoken huizen aan het recente oorlogsverleden. En dan krijgt het bezoek een brochure in de hand gedrukt en moet het opkrassen, want Firestone zwijgt over omzet- en productiecijfers.

Non-gouvernementele organisaties zeggen dat Firestone zijn werknemers veel te hard laat werken voor te weinig geld, zijn gastland financieel tekort doet en schaamteloos het milieu vervuilt. Iets genuanceerder was dat ook de boodschap van de mensenrechtenafdeling van de VN-vredesmacht in Liberia (UNMIL) in een in 2006 verschenen rapport over de rubbersector. Het rapport riep op tot een drastische verbetering van de arbeidsomstandigheden op Liberia’s rubberplantages. Firestone geeft zijn personeel wel onderdak, maar ze wonen in vieze, bedompte hutten zonder stromend water of elektriciteit. Het ziekenhuis en de scholen zijn gratis, maar lang niet alle werknemers, zoals de oproepkrachten, profiteren daarvan. Dan is er de plantagepolitie die zijn bevoegdheden soms wat al te ruim opvat. Het VN-rapport meldt ook dat Firestone’s latexverwerkingsfabriek afvalwater vol ammoniak direct in een nabijgelegen rivier stort.

De commotie die het VN-rapport teweegbracht en een daaropvolgend bezoek van president Ellen Johnson-Sirleaf, hebben effect gehad. De directie was al mondjesmaat begonnen met de bouw van nieuwe arbeiderswoninkjes. Op aandringen van Johnson-Sirleaf is het tempo opgevoerd. Over vijf jaar moeten alle rubbertappers een eigen tweekamerwoning met een veranda hebben.

Nu nog zorgen dat ze handschoenen, rubber laarzen en beschermende brillen krijgen, zegt Comfort Willie van de vakbond FAWUL. „We zijn een enquête aan het houden om te kijken waar de werknemers het meest behoefte aan hebben. Voorzover we dat nu al kunnen beoordelen, willen ze een uurloon en ze willen dat het quotum omlaaggaat – sommige arbeiders nemen hun kinderen mee om te werken omdat ze anders niet altijd het vereiste aantal bomen halen. Ook al heb je de hele dag gewerkt, als je de norm niet haalt, krijg je niet of maar de helft betaald.”

De nieuwe vakbond is een eerste signaal dat de wind aan het draaien is. Tot vorig jaar benoemde het management van Firestone zelf de vakbondsleiding. Stakingen en langzaamaanacties waren verboden. Na een verhitte machtsstrijd tussen vakbonden die tot bij het Hooggerechtshof is uitgevochten, kon het bestuur van FAWUL in januari eindelijk aan de slag. Voor het eerst hebben de rubbertappers nu een onafhankelijk gekozen vakbond. Met dank aan de regering van president Johnson-Sirleaf en minister van arbeid Koffi Woods, zegt de kordate Comfort Willie voordat ze haar baseballpetje opzet en het bezoek in de brandende zon uitgeleide doet. „De onderhandelingen over een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst zijn geopend.”

Het VN-rapport is te lezen op nrc.nl/economie