Servische oorlogsmisdadiger vecht door in Amerika

Miljenko Jergovic: Buick Rivera. Vertaald door Reina Dokter. Cossee, 219 blz. € 19,90

Buick Rivera, de eerste in het Nederlands vertaalde roman van de Kroatische schrijver Miljenko Jergovic, leest als een ongrijpbare klucht. Een hysterische vrouw schreeuwt tegen haar echtgenoot dat hij meer van zijn auto houdt dan van haar. De man beklaagt zich hierover luidkeels bij zijn vrienden in het café, waarna hij nog diezelfde nacht achter het stuur van zijn geliefde oldtimer in slaap sukkelt en zich vastrijdt in de berm. Met de voorbijganger die hem vervolgens een lift aanbiedt, krijgt hij dan nog eens slaande ruzie.

Op dat niveau gelezen is het boek een wat hulpeloze poging om komedie te bedrijven aan de hand van tragische thema’s als miscommunicatie, huwelijksproblematiek en teleurstelling in het leven. Maar Jergovic’ roman krijgt onverwacht gewicht wanneer hij de achtergrond schildert waartegen dit dik aangezette amateurtoneel zich afspeelt.

De aan zijn Buick Rivera verknochte man is Hujdur, een van zijn geloof gevallen moslimman die Joegoslavië voor de Verenigde Staten verruilde nog voordat zijn thuisland ten onder ging in een gruwelijke burgeroorlog. De attente voorbijganger die hem meeneemt in de auto is Vuko Salipur. Een Servische oorlogsmisdadiger die door leugens te vertellen de Amerikaanse nationaliteit kreeg en het Joegoslavië Tribunaal ontliep.

Wanneer de Kroaat de ontmoeting tussen de twee geboren tegenstanders beschrijft, is het boek niet veel meer dan een nadrukkelijk grillige tragikomedie. Zowel Hujdur en Salipur zijn te oud voor illusies. De eerste leeft op zijn liefde voor een auto, de tweede op zijn haat jegens anderen. Salipur zet zijn etnische strijd dan ook voort op Amerikaanse bodem. Met als gevolg bladzijden vol vermoeiende tirades, bekvechterij en huilbuien, en tot slot een onnavolgbare strijd om het bezit van de Buick.

Maar Jergovic kan wel degelijk krachtige, beeldende passages schrijven. Alleen doet hij dat pas wanneer hij het Joegoslavische verleden induikt. Zo zag Salipur, vlak voor zijn vertrek naar de VS, de blinde islamitische kruidendokter Almas Dzafic terug. Deze genas hem als kind ooit van de koorts. In de oorlog volgt de ‘wederdienst’: Salipur jaagt hem naakt zijn woonplaats uit. Trefzeker staat er: ‘Allah had vast ooit ergens verkondigd waarom het zo goed was om iemand die je eens zou afslachten te helpen terwijl die in de wieg lag en zijn schone ziel nog in hem trilde’. Op zulke momenten wordt Jergovic een schrijver om rekening mee te houden.