Procesmanager: klei in onderwijs

Behalve de politiek krijgt ook het ‘middenveld’ in het onderwijs kritiek van de commissie-Dijsselbloem. Pedagogen en managers hadden te veel macht.

De tussenlaag krijgt klappen. Het rapport over onderwijsvernieuwingen van de commissie-Dijsselbloem is niet mild over de organisaties die tussen Den Haag en scholen staan.

Goed, de overheid wordt in het rapport aangewezen als hoofdschuldige voor het falen van het onderwijsbeleid van de afgelopen twee decennia. Daarmee doelt de commissie vooral op het kabinet, de Tweede Kamer en het ministerie van Onderwijs.

Maar tussen politiek en uitvoering zijn talloze organisaties actief, die eveneens veel kritiek krijgen in het rapport. Zo stonden de organisaties die de belangen heetten te dienen van scholen, leraren, ouders en leerlingen de facto „dichter bij de politiek dan bij hun eigen achterban”.

De tussenlaag was van klei – de ideeën uit Den Haag bereikten de scholen niet, en andersom. De landelijke pedagogische centra hebben het ‘nieuwe leren’ dwingend opgelegd aan scholen. De uitvoering van het beleid werd volledig uit handen gegeven aan oncontroleerbare procesmanagers.

De mensen die deze tussenlaag bevolken, zijn bijna zonder uitzondering positief over het rapport van de Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen. Behalve daar waar het hun eigen rol betreft.

Het is onzin dat wij onze achterban niet zouden representeren, zegt voorzitter Walter Dresscher van de Algemene Onderwijsbond.

[Vervolg ONDERWIJS: pagina 2]

ONDERWIJS

‘Wij geven alleen maar advies’

[Vervolg van pagina 1] Dresscher: „Als ik mijn achterban niet zou vertegenwoordigen, zou het afgelopen zijn met mij. De leden, leraren, hebben altijd het laatste woord.”

Algemeen directeur Johan van der Horst van de KPC Groep is het „helemaal niet eens” met de conclusie die Dijsselbloem trekt over zijn organisatie, een van de landelijke pedagogische centra (lpc). „Als je beweert dat wij de massale invoering van het nieuwe leren op ons geweten hebben, onderschat je de eigen verantwoordelijkheid van scholen. Zij huren ons in. Wij geven alleen maar advies.”

De KPC Groep, van oudsher het Katholiek Pedagogisch Centrum, profileert zichzelf nu als ‘innovatie-instituut’ voor scholen van alle gezindten. KPC adviseert en onderzoekt in opdracht van het ministerie van Onderwijs de onderwijsvernieuwingen.

Hét nieuwe leren bestaat niet, zegt Van der Horst. Het is een „containerbegrip”, zegt ook zijn collega Peter Velseboer van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS). Onder het nieuwe leren wordt verstaan dat lessen minder klassikaal zijn en leerlingen zelfstandiger, op allerlei verschillende manieren.

Het APS doet aan „natuurlijk leren”, legt Velseboer uit, wat weer niet hetzelfde is als het algemene begrip ‘nieuwe leren’. „Natuurlijk leren is onderwijs dat aansluit bij de betekeniswereld van het kind. De leerling wordt zelf verantwoordelijk voor het zich eigen maken van kennis en vaardigheden.”

Van deze methode is de werking wél bewezen, zegt Velseboer. „Scholen zijn laaiend enthousiast. Natuurlijk is het ook weleens misgegaan met het nieuwe leren op scholen. Dat ligt dan vooral aan de uitvoering.” Daarbij, zegt Velseboer, is het „onzin” dat het door het nieuwe leren komt dat kinderen niet meer zouden kunnen spellen en rekenen. „Wij adviseren meer over taal en rekenen dan over het natuurlijk leren.”

Beide directeuren zeggen dat het nieuwe leren niet hun „dominante ideologie” is. KPC, zegt Van der Horst, doet slechts 20 procent van het werk met scholen die „veel op de schop” nemen. „De rest wil veel kleinere stapjes nemen, of bij traditioneel onderwijs blijven.”

Volgens Van der Horst zijn de lpc „vooral in de media” neergezet als ‘aanjagers’ van het nieuwe leren. Bij hun klanten leeft dat beeld helemaal niet, zegt hij. „Het klopt wel dat een van onze adviseurs ooit een stuk in de Volkskrant heeft geschreven waarin ze het nieuwe leren verdedigde. Maar dat was op persoonlijke titel, en polariserend. Eens maar nooit weer, wat ons betreft. Zo staan wij niet in ons werk.”

En dan waren er nog de procesmanagers, de mensen aan wie het uitvoeren van onderwijsvernieuwingen was toevertrouwd. Deze projectorganisaties – elke vernieuwing had er één – onderhielden de communicatie tussen overheid en scholen over een vernieuwing.

De politiek bepaalde bijvoorbeeld dat het studiehuis moest worden gepropageerd op havo en vwo. Mensen als Rein Zunderdorp, oud-voorzitter van het Procesmanagement Voortgezet Onderwijs, moesten dat uitleggen op scholen. En hun bevindingen ‘terugkoppelen’ naar Den Haag.

De procesmanagers hadden geen bevoegdheden om beslissingen erdoor te drukken. Het is dus vreemd, zegt Zunderdorp, dat procesmanagers wordt verweten dat ze het beleid overnamen van het ministerie van Onderwijs. „Het ministerie heeft eventuele fouten aan zichzelf te wijten.”

Wat wél is gebeurd, herinnert Zunderdorp zich, is dat het ministerie soms „weggedoken” is. „Dan mochten wij de kastanjes uit het vuur halen. Ik heb de dag vóór de grote leerlingendemonstraties in Buitenhof gezeten. De bewindslieden konden niet. Ik ben als buffer gebruikt. Noodgedwongen.”

Het beeld van procesmanagers als oncontroleerbare tussenpersonen noemt Zunderdorp „een eigenaardige uitglijer”. „Voor zover ons iets te verwijten valt, is het dat we hebben doorgewerkt toen al duidelijk was dat er te weinig geld was.”

Het is jammer, zegt Walter Dresscher van de Algemene Onderwijsbond, dat de commissie „klakkeloos” de klachten heeft overgenomen van mensen en organisaties die níét met de politiek spraken. De decanen bijvoorbeeld. Of een individuele schoolmanager. Waarom zijn juist zij zo negatief over de belangenbehartigers? Dresscher: „Afgunst, denk ik.”