Piranesi volgens Peeters

Een wekelijkse zoektocht naar de grenzen van de slechte smaak.

In Vrij Nederland van 9 februari vond ik een stuk van Carel Peeters. Hij was met de trein naar Haarlem geweest om een tentoonstelling te zien in het Teylers Museum: De droom van Piranesi. Eeuwig modern design. Peeters over Piranesi, dat moest ik lezen.

Waarom? Omdat het werk van Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) erg in de smaak valt bij postmodernisten, en Carel Peeters een rabiaat bestrijder is van het postmodernisme. Postmoderne filosofen vindt Carel slordige denkers, in de eclectische, postmoderne kunst mist Peeters tussen alle ontleende stijlcitaten en vorm een vent met een eigen smaak. Pomo-architectuur is voor hem niet méér dan een schots en scheef aan elkaar bevestigd zootje bouwmateriaal.

Oké. Als Carel niet van postmodernisme houdt – iedereen zijn eigen smaak, dat houdt de kleur in de wereld. Mooi. Carel Peeters liep daar bij Teylers in Haarlem rond en zag foto’s van het werk van pomo-architecten als Eisenman, Libeskind, Graves en Venturi. „Schijnbaar onzinnig vormgegeven gebouwen”, schrijft hij, maar je voelt dat hij dat schijnbaar graag had weggelaten.

Hij blijkt echter niet alleen een hekel aan deze postmoderne Piranesi-liefhebbers te hebben, maar ook aan Piranesi zelf. Interessant. Aan Piranesi was van alles mis, schrijft Peeters. Diens fascinatie voor ruïnes was pathologisch. Hij was recalcitrant, eigenwijs, querulant, demonisch, megalomaan. Hij bouwde niks, maar noemde zich toch architect. Als pseudo-archeoloog verkocht hij zijn vondsten (mooi is dat!) én de prenten die hij van zijn vondsten had gemaakt. Piranesi ontwierp voorts barokke tafels, vazen, schoorsteenmantels, kannen, fonteinen en klokken.

En baseerde zich niet op één oude stijl, maar wel op vier: hij combineerde Romeinse, Griekse, Etruskische en Egyptische stijlkenmerken. „Dat leidde tot barokke neoklassieke monsters, een en al tierelantijn, een en al kitscherige overdaad.” Kon en mocht dat allemaal zo maar in Piranesi’s dagen? Ja, zegt Carel Peeters, dat komt zo: „Piranesi profiteerde ervan dat het midden van de achttiende eeuw kunsthistorisch een onduidelijke periode was. Dat stelde hem in staat een ongegeneerd eclecticus en neoclassicist te worden.” Een schitterende verklaring. En dit schandalige misbruik van die historisch onduidelijke periode heeft geleid tot „de ergste decoratieve nepkunst, pronk en conversatiekunst”.

Allemachtig, denk je als lezer. Wat een waardeloze schurk, die Piranesi, en nog een gek ook. Peeters is nog niet klaar. Want ook de expositie als zodanig zit er volgens hem helemaal naast. De pomo-architecten kunnen zich onmogelijk hebben laten inspireren door die „driedubbel door de geschiedenis ingehaalde” nepvazen en conversatieschoorsteenmantels van Piranesi. Nee, architecten als Libeskind en Eisenman kunnen voor hun schots en scheve gebouwen volgens Carel Peeters alléén maar hebben gekeken naar de beroemde Carceri-prenten van Piranesi. En om op basis van slechts die zestien prenten te spreken van een droom van Piranesi, die dankzij de pomo-bouwmeesters en designers is uitgekomen, nee, dat gaat inderdaad niet.

Er is één probleem met Carel Peeters’ tentoonstellingsbezoek. Hij nam een koffer vol bezwaren tegen het postmodernisme mee, maar te weinig kennis. Het zijn namelijk niet zozeer de Carceri-prenten die Piranesi populair maakten onder postmoderne architecten, maar het is diens verbluffende reconstructie van het Romeinse Marsveld in Il Campo Marzio dell’Antica Roma (1762). Peeters noemt deze uitgave nergens. Piranesi schetst hier in 42 platen en 68 pagina’s een idee hoe volgens hem een prachtige stad er uit moet zien. Want Piranesi houdt het niet bij reconstrueren van het oude Rome, hij vult aan, vult in, voegt toe. Het resultaat is een op het eerste gezicht overvolle, schots en scheve planologie, met ogenschijnlijk krankzinnige conversatiegebouwen en nepgevels, barok, neoklassiek, vol overdaad.

Een chaos. Je raakt alleen al op de plattegronden in Il Campo Marzio vrij snel de weg kwijt. Maar wat een leven in die prenten! Je zou het 246 jaar na verschijning bijna ‘eeuwig modern’ noemen. Oordeel zelf. Wie de ‘Marsveld’-prenten wil zien, vindt ze zo op internet. Waar het op deze plaats om gaat is dit. Persoonlijke smaak („ik lust dat achttiende-eeuwse postmodernisme niet!”) mag er nooit toe leiden dat een historische grootheid als Piranesi smakeloos wordt weggezet.