Pietje Bell wordt deftig

Er is niks mis met een beetje populisme, vindt de nieuwe directeur van het Rijksmuseum, Wim Pijbes. Critici twijfelen: „Op die plek geen specialist neerzetten, is iets nieuws.”

De Pietje Bell onder de museumdirecteuren. Zo omschreef Wim Pijbes (Veendam, 1961) zichzelf ten tijde van het tienjarig bestaan van de Kunsthal Rotterdam in 2002, waar hij toen twee jaar directeur was. Een ondeugende outsider in het museumwereldje, bedoelde hij. Dat kon hij destijds met trots constateren omdat hij met zijn uiteenlopende thema-exposities – van Hollandse Romantiek tot lingerie van Marlies Dekkers, van Star Trek tot Roemeense avant-garde – duizelingwekkende bezoekcijfers behaalde. „Getsie, populistisch, denken ze hier in Nederland dan”, zegt Pijbes. „Maar je kan best populistisch en tegelijkertijd kwalitatief sterk zijn. Respectabel populisme noem ik dat.”

Zijn leermeester en voorganger als directeur van de Kunsthal Wim van Krimpen vond die instelling meteen prettig, toen hij Pijbes aan het werk zag aan een expositie voor de Rijksdienst voor Beeldende Kunst. „Hij had destijds een eigen bureautje waarmee hij tentoonstellingen samenstelde, maar ik dacht: die moet bij de Kunsthal komen. Toen heb ik zijn vrouw opgebeld en gezegd dat hij beter ergens in vaste dienst kon komen werken. Dat vond zij gelukkig ook.”

Pijbes kwam in 1994 bij de Kunsthal, eerst als conservator en al heel snel werd hij adjunct-directeur. In 2000 volgde hij Van Krimpen op als directeur, toen die naar het Gemeentemuseum vertrok. In bezoekersaantallen uitgedrukt is Pijbes’ beleid succesvol geweest – ruim 200.000 mensen komen per jaar naar de Kunsthal. Maar wetenschappers en kunstcritici streek hij geregeld tegen de haren in. Kunstcriticus Janneke Wesseling wond zich in deze krant eens op over de publiciteit rond de grote Willem de Kooning-expositie in de Kunsthal. Pijbes vertelde toen in het journaal over het vrouwbeeld van de kunstenaar, en ook advertenties waren daarop gericht. Platvloers, vond Wesseling. „Grappig”, zegt Pijbes. „Een inkoppertje. Je wéét gewoon dat bepaalde mensen aan zoiets blijven hangen. Het is een beetje plagen.” Tegenover zulke plagerijtjes staat weer, vindt Pijbes, dat hij wél een mooie De Kooning-expositie maakte. Die expositie wordt door iemand als Gijs van Tuyl, directeur van het Stedelijk Museum, genoemd als een voorbeeld.

Het zijn twee van de ‘drie P’s’

die Pijbes als directeur van de Kunsthal hoog hield: publiciteit, en presentatie (de derde is programmering). Hij is handig in het creëren van publiciteit, ook door geregeld opiniestukken in kranten te publiceren. In die stukken is Pijbes overigens moeilijk voor één gat te vangen. Dan laakt hij het populisme van de Museumnacht, om vervolgens een expositie met Playboy-cartoons en fotografie te openen. Pijbes: „Ik heb niks tegen de Museumnacht, integendeel; ik had hem zelf kunnen bedenken. Maar je zet geen dj’s neer tussen de kunstwerken. Soms moet je conventioneel zijn: de Nachtwacht hangt straks gewoon op dezelfde plek. Met een collectie moet je zorgvuldig omgaan, maar zoiets als Nightwatching, dat experiment van Peter Greenaway, vind ik interessant. Het gaat niet om kunst kijken, maar om kunst beleven.”

Die voorkeur voor beleving is een gevolg van zijn liefde voor theater. Die ontwikkelde hij op de middelbare school dankzij een enthousiaste leraar Nederlands. Cabaretier Bert Visscher is een jeugdvriend, samen maakten ze wel eens voorstellingen. Pijbes deed vervangende dienstplicht bij theater Lantaren/Het Venster en overwoog theaterwetenschappen te gaan studeren, maar koos toch voor kunstgeschiedenis in Groningen. Hij schreef een scriptie over theaterarchitectuur in de wederopbouw.

Emeritus hoogleraar architectuurgeschiedenis Ed Taverne herinnert zich hem niet als opvallende student – „hij was niet briljant, en ook niet heel snel” – maar wel als eigenzinnige persoonlijkheid. „Hij ging zijn eigen gang. Hij wilde disciplines combineren, vormgeving, beeldende kunst, theater, architectuur. Aan heersende conventies had hij lak.” Zag de hoogleraar toen al de toekomstige directeur van het Rijksmuseum? „Absoluut niet. Daar waren die studenten niet mee bezig. Ik had het idee dat Wim een spannend leven had buiten de universiteit. Daar zat hij in allerlei clubs.”

Zijn sociale kwaliteiten worden geroemd. Van Krimpen: „Hij is een supernetwerker. Gaat-ie op vakantie naar Suriname, dan heeft hij daar een afspraak met iedereen die er toe doet. Pijbes: „Ik omring mij graag met inspirerende mensen.”

Bij De Kunsthal begon Pijbes een Club van 100 om gericht te kunnen netwerken. Het is een gemêleerd gezelschap van mensen uit de media, politiek, kunst en zakenwereld. „De club is heel multicultureel, en dat bevalt me erg”, zegt Club-lid Hafida Bounjouh, een 27-jarige kandidaat-notaris van Marokkaanse komaf. „Wim is oprecht geïnteresseerd en laagdrempelig.” Dat beaamt Cemile Sezer, een 42-jarige consultant van Turkse komaf en afdelingsvoorzitter van D66 in Rotterdam. „Hij onthoudt wat je zegt. Als vrouw is het een plezier om in zijn buurt te zijn. Het is een man met wie je wel gezien wilt worden.”

Uit het bestaan van de Club van 100 spreekt ambitie. Sezer, ook Club-lid: „Wim is altijd bezig en je komt hem overal tegen. Wie zulke inspanningen levert, wil wat in het leven. Deze man is op reis, en voor wie twijfelt of hij zijn nieuwe zware baan wel aankan: hij heeft zijn reis goed voorbereid.”

„Charmant? Dat zou ik niet gauw over hem beweren”, zegt Hugo Bongers, voorzitter van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur. „Wim is een goede gastheer, maar hij kan ook vuur spuwen. Wat dat betreft lijkt hij op De Leeuw, die kan ook godverdommen en donderen. Ik heb Wim meegemaakt in vergaderingen, dan is hij zeer gedecideerd. Hij laat niet over zich heen lopen en heeft de benodigde hardheid bij het onderhandelen.”

Pijbes is de ondeugende outsider

die durft, maar die durf kan een valkuil zijn. Bongers: „Een keer was er in De Kunsthal een weekend met Afrikaanse kunst: dat kon zo in Ahoy. Toen zei ik dat ie aan het schmieren was. Als je grenzen opzoekt, kan het ook misgaan.”

Jeroen Boomgaard, lector Kunst en Publieke Ruimte aan de Rietveld Academie, constateert dat de ‘entertainmentfunctie’ sterk opgeld doet in de museumwereld en vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. „Musea zijn er ook voor onderhoud en onderzoek. Een te publieksgericht beleid zou ten koste kunnen gaan van die andere taken.”

Critica Wesseling twijfelt of Pijbes artistiek zwaar genoeg is. „Hij is vast een goede manager, die goed een product kan verkopen, maar kan hij het Rijksmuseum artistiek een gezicht geven? Hij gaat straks over de aankopen, hij moet de collectie onderhouden, en hem verdedigen. Ik betwijfel of hij dat kan. Om op zo’n cruciale plek geen specialist neer te zetten, dat is nieuw.” Pijbes: „Goed, ik ben geen specialist in zeventiende-eeuwse kunst, maar dat waren mijn voorgangers Henk van Os en Ronald de Leeuw ook niet. En ik heb grote exposities met zeventiende-eeuwse kunst samengesteld. Van experts als Albert Blankert, Eddy de Jongh, Rudi Ekkart en Gary Schwartz heb ik warme complimenten mogen ontvangen.”

Van Krimpen: „Wim is lid van de Raad van Toezicht. Hij kent de collectie en de cultuur goed. Ik denk dat hij er prachtige dingen mee gaat doen. En allemaal hoogst verantwoord.” Kan Wim Pijbes in het Rijksmuseum een Pietje Bell blijven? Van Krimpen: „Ik denk dat hij iets deftiger zal moeten worden. Maar dat geeft niks.”