Over wapens, pre-pubers, ringtones, en nog veel meer

David Foster Wallace (samensteller):The Best American Essays 2007. Houghton Mifflin, 307 blz. € 14,–

In 1980 verscheen het jaarboek The Best American Essays voor het eerst, en de samensteller van dat jaar was de – kort geleden overleden – schrijfster Elisabeth Hardwick. Zij opende haar inleiding met de kortst denkbare vraag over het essay. Die vraag luidt: ‘The essay?’ Hardwick bedoelde met de vragende uitroep dat het essay een ongrijpbaar genre is, niet eenvoudig te omschrijven als ‘een betoog’, want een essay hoeft lang niet altijd ‘iets’ te betogen of uiteen te zetten, maar kan ook verhalend, onderzoekend of, naar vorm en inhoud, experimenteel en ontregelend zijn. Het essay is de had-je-me-maar van de letteren, ongrijpbaar en heel lastig te ‘domesticeren’ door middel van een schoolse definitie.

Samensteller van The Best American Essays 2007 is David Foster Wallace, en vanwege die betrekkelijke ongrijpbaarheid van het genre bekent Foster Wallace al snel: ‘deze gastredacteur is er helemaal niet zeker van wat een essay precies is’. Een niet ongeestige bekentenis als je bedenkt dat Foster Wallace twee essaybundels op zijn naam heeft staan.

Die onzekerheid over wat een essay precies is zal in de VS misschien nog groter zijn dan bij ons, want Amerikanen gebruiken de term ‘essay’ voor wel heel veel soorten proza. Een journalistieke reisreportage heet in Amerika ‘essay’, evenals, bijvoorbeeld, een memoire-achtig verslag over het verloop van een autobiografisch verslag over, bijvoorbeeld, ziek zijn, opvoeden of ouder worden.

I.M. van Connie Palmen heet bij ons ‘roman’, al was het maar omdat de schrijfster dit zo beslist heeft, maar zou in de VS vermoedelijk ‘een lang essay’ heten. Autbiografische verhalen, reportages waarin de verteller duidelijk aanwezig is, of reisverhalen – in Amerika heten het ‘narrative essays’, verhalende essays.

Die weidsheid van genre levert in de Best American Essay-reeks afleveringen op die onderling enorm verschillen. Zo was vorig jaar schrijfster en psychologe Lauren Slater de samensteller, en zij hield duidelijk van ‘verhalende essays’ (lees: autobio-verhalen) over persoonlijke vreugdes en beproevingen, met als gevolg dat het essay-jaarboek griezelig veel begon te lijken op een soort Oprah Winfrey-winterboek.

Gelukkig tekende dit jaar weer een échte schrijver voor dit jaarboek. Van David Foster Wallace, mag weer meedoen in deze editie van The Best American Essays. En dat is een verademing. De 2007-editie – 22 bijdragen – bevat veel moois. Een onderzoekend stuk van Garret Keizer die zichzelf als left-wing beschouwt maar die tot zijn eigen verbazing vóór particulier vuurwapenbezit is. Een polemisch essay over de extreme seksualisering van de pre-puber. Een lichtvoetig en speels essay over het groeiende taboe in de Amerikaanse samenleving op persoonlijke teleurstelling. Een mooi, ingetogen betoog van Marilynne Robinson over christian-liberals (die steeds zeldzamer worden in de VS). Een geestig boutade van Louis Menand over ringtones die veel mensen van boven de veertig niet meer schijnen te kunnen horen.

Opmerkelijk is wel dat in geen van de essays tekstuele grappen en grollen worden uitgehaald zoals Foster Wallace dit gewoonlijk doet in zijn eigen essays. Kennelijk worden die experimenten niet erg breed gedragen, of misschien vond de samensteller dit soort experimentele en naar de vorm licht subversieve essays dit jaar onder de maat en heeft hij daarom uitsluitend traditionele essays opgenomen.