Oprollen die bende

Literaire tijdschriften hebben almaar minder lezers. De redacties denken dat het niet aan hen ligt, maar het is tijd voor sanering en fusies.

In haar hilarische verhaal Een hogere orde beschrijft Nicolien Mizee een redactievergadering van een literair tijdschrift waar een schrijfster net is aangetreden. Het verwaten gezelschap spreekt langdurig over het omslag van het laatste nummer tot het gesprek komt op het exploitatietekort dat „gaapte als een walvismuil”. De heren praten over sponsors en abonnees, zonder tot een besluit te komen. „‘We hoeven toch geen winst te maken’, zei de geschiedkundige geamuseerd.” De schrijfster stelt vast: „Deze mannen hadden het allang achter zich gelaten: lezers, verkoopcijfers, winst.”

Een dergelijke zelfingenomen houding kan deze redactie – waarin die van De Gids valt te herkennen – niet lang meer volhouden, want het gaat bar slecht met de literaire tijdschriften in Nederland. Het Nederlands Literair Productie en Vertalingen Fonds (NLPVF) gaf onlangs cijfers vrij over de twaalf gesubsidieerde tijdschriften. De abonneeaantallen variëren van 100 tot 700 per tijdschrift, terwijl de bladen gezamenlijk 4.473 abonnees hebben.

Dit beeld is waarschijnlijk nog geflatteerd. De aantallen dateren uit 2006 en het is aannemelijk dat de dalende trend van de laatste vijftien jaar heeft doorgezet. Bovendien zijn de cijfers gebaseerd op opgaven van de uitgevers, die hun oplagen traditioneel eerder overschatten dan onderschatten. Bunker Hill zit officieel in de categorie 100 tot 170 abonnees, maar het blad heeft heeft er nog geen 70.

Twintig jaar geleden waren de bladen wellicht weggekomen met zo’n abominabel bereik, maar tegenwoordig heerst in de kunstwereld de overtuiging dat culturele instellingen zelf ‘draagvlak’ moeten scheppen, door het trekken van bezoekers of andere consumenten. Het sterkste argument voor deze opvatting is dat een kunstwerk pas echt af is als het wordt gezien, gehoord, gelezen of anderszins ervaren. Dat geldt dus ook voor een literair tijdschrift.

Literaire tijdschriften krijgen subsidie omdat ze worden beschouwd als cultuurgoed. Daarbij gaat het niet om veel geld. Het NLPVF steekt jaarlijks 285.000 euro in de dekking van de exploitatietekorten, en nog eens 35.000 in de promotie. Maar het fonds kan de ruim 3 ton ook gebruiken voor tien fatsoenlijke werkbeurzen, waarmee schrijvers een jaar lang kunnen werken aan een roman. Of voor het verstrekken van zes eenmalige subsidies voor het uitbrengen van een verzameld werk, zoals minister Plasterk (Cultuur) onlangs deed voor de nalatenschap van Karel van het Reve.

Gezien de eeuwige schaarste aan kunstgeld, is het dan ook goed dat het NLPVF de noodklok heeft geluid over de krimpende oplagen. Het fonds belegde een bijeenkomst met de tijdschriftredacties om hen in te peperen dat ze wat meer aan de weg moeten timmeren. Veel meer dan een oproep wil het fonds niet doen, zegt directeur Henk Pröpper: „Het past een overheidsinstelling niet om subsidieontvangers voor te schrijven wat ze wel en niet moeten doen.”

Het literaire fonds mag wel wat harder optreden. Tijdens de bijeenkomst spraken redacteuren en uitgevers vooral over een betere marketing, zoals via een tijdschriftladder. Dat doet erg denken aan politici die bij slechte peilingen en uitslagen monkelen over ‘onze boodschap beter uitleggen’. Strekking: wij doen het natuurlijk geweldig goed, alleen snappen de mensen het nog niet.

De waarheid is dat de literaire bladen het gemiddeld genomen helemaal niet goed doen. Het bestaansrecht van de tijdschriften is er onder andere in gelegen dat dat zij een podium bieden aan literaire talenten, schrijvers van spraakmakende essays en interessante onderzoekers. In werkelijkheid vinden nieuwe auteurs op eigen kracht een uitgever en is er in de tijdschriften de afgelopen jaren niet één verhaal gepubliceerd dat een rol speelde in het maatschappelijke en culturele debat.

Dat de tijdschriften in dat debat hun podiumfunctie zijn kwijtgeraakt komt voor een deel door de opkomst van opiniebladen en krantenbijlagen. Wijlen Joke Kool-Smit publiceerde in 1967 haar invloedrijke opstel Het onbehagen van de vrouw in De Gids. Nu zou de feministe Kool-Smit dat ongetwijfeld doen in bijvoorbeeld Vrij Nederland, de Volkskrant of NRC Handelsblad, de krant waarin ‘powerfeministe’ Heleen Mees haar seksegenoten opjut.

De literaire tijdschriften zijn gevangen in een onoplosbare puzzel. Spraakmakende essayisten schrijven niet in de bladen, omdat dit geen podia meer zijn; de bladen zijn geen podia doordat spraakmakende essayisten niet voor hen schrijven. De redacties zijn dan ook haast wanhopig op zoek naar auteurs van naam: in Een hogere orde wordt de schrijfster tot in het belachelijke gevraagd of zij ‘beroemde mensen’ kent, die ze kan vragen om een stuk te schrijven...

Het resultaat is dat de tijdschriften worden ontsierd door onleesbare artikelen. Dat bevordert de onverschilligheid bij lezers. Volgens Mizee lezen zelfs redacteuren hun eigen blad niet, blijkt uit het haar verhaal: „‘Ik heb dat hele seksnummer niet gelezen’, zei de schrijver. ‘Ik ook niet’, zei een ander.”

Overigens stonden in dat seksnummer van De Gids een paar prachtige verhalen. Want voor wie goed zoekt valt in de literaire tijdschriften genoeg moois te vinden. Zelf mag ik graag De parelduiker kopen als het blad weer een goed geschreven en gedocumenteerde ‘plak’ van een schrijversleven publiceert, of De Tweede Ronde voor vertaalde buitenlandse poëzie.

Wie alle goed geschreven en belangwekkende publicaties uit de twaalf gesubsidieerde literaire tijdschriften naast elkaar legt, heeft kopij voor pakweg drie echt interessante tijdschriften. Het ligt dan ook voor de hand om de literaire tijdschriften te saneren en te laten fuseren. De drie bladen die overblijven, kunnen zich van elkaar onderscheiden door zich elk te specialiseren in een klassieke kerntaak: nieuwe literatuur, beschouwingen over literatuur en literaire opstellen over wetenschap, cultuur en samenleving.

Dan is er voor elk blad een ton subsidie. Misschien dat de opinieleiders van nu tegen een flinke vergoeding wel weer in een literair tijdschrift willen schitteren. Zeker is dat mensen die nu al goed werk leveren – vertalingen maken, interessant onderzoek doen – beter beloond kunnen worden.

Uiteindelijk zullen de tijdschriften zelf moeten bepalen wie met wie samengaat – Hollands maandblad met De Gids? – en wie waarmee ophoudt. De tijdschriften zullen alleen tot actie overgaan, als het NLPVF hen daartoe dwingt. Directeur Henk Pröpper voelt daar niet voor, want de tijdschriften hebben nu eenmaal een ‘bendegevoel’.

Een bendegevoel is natuurlijk prachtig: samen een beetje rebelleren, samen tegendraadse dingen verzinnen, samen de hele wereld verrassen. Maar als de redacties blijven doorgaan met het laten bedrukken van papier met onleesbare verhalen, dan is er nog maar één devies: oprollen die bende.

Wilt u reageren op dit pleidooi? Schrijf dan naar cs@nrc.nl