Moorden om te lachen

In de films van Joel en Ethan Coen is heel zelden iemand goed, op z’n mooist is iemand een áárdige kwaaierik. In hun nieuwste film ‘No Country for Old Men’ spant huurmoordenaar Chigurh de kroon: hij is enger dan al die andere aartsslechteriken uit het Coen-oeuvre.

Het kwaad kent vele gedaanten en meestal zijn ze om te lachen. Een aapachtige motorduivel die eruit ziet alsof hij zijn uitlaat als haardroger gebruikt. Een dikke gangster die zijn buit rondstrooit en met een tommygun op koeien schiet. Een dunne veelpleger met een diepe kinderwens. Een sheriff met een zonnebril in plaats van ogen. Een kleine, kale gangster die zijn zoontje niet kan zien huilen. Een dunne pederast in paars sporttenue. Een explosievenexpert met een stem als een heimachine (‘Easiest thing in the world’). Een dikke seriemoordenaar die van worstelen weet. Nihilisten in een soort schaatspak, met een Duits accent en gewapend met een marmot. Een geblondeerde sadist die tranen in de ogen krijgt als hij naar een soap kijkt en even later zijn handlanger door de takkenversnipperaar haalt. Een eenogige aanhanger van de Ku-Klux-Klan met een overontwikkeld reukorgaan. Een lange, kettingrokende kapper en de korte, bepruikte, homoseksuele eigenaar van een stomerij.

Als je dan ook nog hoort dat deze schoften namen dragen als Gaear Grimsrud, Jesus Quintana en Garth Pancake, moet je haast wel denken dat deze schoften uit een stripboek komen. Maar nee, ze zijn afkomstig uit de films van Joel en Ethan Coen, waar stripfiguren mens zijn geworden sinds, laten we zeggen, 1987. Sinds Raising Arizona. (Hun eerste film, Blood Simple, ligt te dicht tegen de realiteit aan om daar heuse stripfiguren in te ontdekken, al komt Loren Visser, de privé-detective in zijn Volkswagen Kever, aardig in de buurt.)

Het gaat altijd over kwaad en kwaad in de films van de Coen-broers. Alles in gradaties. De sheriff met de zonnebril is kwader dan de kapper. De eenogige kwader dan de gangster. En als de kwade motorduivel sterft, door toedoen van een kinderontvoerder die wij aardig zijn gaan vinden, is ook de motorduivel ineens minder kwaad.

Heel zelden is iemand goed, op z’n mooist is iemand een áárdige kwaaierik. In de twaalf films die de Coens tot nog toe maakten, komen welgeteld vier hoofdpersonen voor op wie echt vrijwel niets valt aan te merken: de klunzige postkamerbediende in The Hudsucker Proxy, de zwangere politieagente in Fargo, de zwarte hospita in The Ladykillers en de melancholieke sheriff in hun nieuwste film, No Country for Old Men. De rest heeft altijd wel iets op zijn kerfstok, in juridische, dan wel morele zin. Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat ze het publiek meer op de lachspieren dan op de zenuwen werken.

Joel (53) en Ethan (50) Coen,

die in 1984 ineens overstapten van super-8 amateurfilmpjes naar 35mm en de gebruikelijke fase van de korte film oversloegen, doen in al hun films lachen en gruwen. In hun eerste film werd een man – geen aardige man misschien, maar toch ook geen schoft – zwaargewond, maar levend begraven. En toch was dat geen beproeving voor het publiek, zoals bij Spoorloos of Casino. Blood Simple hield het midden tussen een film noir en een blijspel. De laatste dode van de film gaat hysterisch lachend heen en ook het publiek zal een lach daarbij moeilijk kunnen onderdrukken.

Tussen haakjes: de laatste dialoog in Blood Simple gaat tussen Abby en detective Loren Visser die het op haar leven gemunt heeft. Abby denkt dat het haar echtgenoot Marty is die haar probeert te doden, uit wraak voor haar overspel. Als ze ten slotte Visser door de deur heen heeft neergeschoten, roept ze: „Ik ben niet bang voor je, Marty!” Visser begrijpt dat ze zich vergist en antwoordt: „Ik zal het hem zeggen als ik hem zie, mevrouw.” Dan giert hij het uit. In de nieuwste film van de Coens, No Country for Old Men, zit een zin die daar de echo van is. Llewelyn Moss moet er ’s nachts op uit. Hij wil zijn vrouw niet zeggen waar hij heen gaat of wat hij gaat doen. Maar zijn afscheidswoorden klinken omineus: „Als ik niet terugkom, zeg dan tegen moeder dat ik van haar houd.” „Je moeder is dood Llewelyn”, zegt zijn vrouw. „Dan zal ik het haar zelf wel zeggen”, antwoordt Llewelyn.

De gebeurtenissen in Coen-films lijken door de personages en vooral door de vaak plechtige taal die zij uitslaan, veel minder ernstig dan ze feitelijk zijn. Ga maar na: overspel en meervoudige moord (Blood Simple, 1984), kinderontvoering en roofovervallen (Raising Arizona, 1987), afpersing, corruptie, liquidaties, verraad, overspel (Miller’s Crossing, 1990), overspel, gruwelmoorden (Barton Fink, 1991), corruptie, zelfmoord (The Hudsucker Proxy, 1993), ontvoering, afpersing, moorden (Fargo, 1996), ontvoering, afpersing, geweld (The Big Lebowski, 1997), roofoverval, diefstal, verraad, doodslag (O Brother, Where Art Thou?, 2000), overspel, moord (The Man Who Wasn’t There) overspel (Intolerable Cruelty) poging tot moord, poging tot diefstal (The Ladykillers), moorden, drugssmokkel, diefstal (No Country for Old Men).

Klinkt dit als de inhoud van een stripreeks?

Je kunt van de Coens even goed zeggen dat ze misdaadfilms maken als lachfilms. Het is allebei even waar. De combinatie is onweerstaanbaar, maar het evenwicht is precair. Na twaalf films is heel goed te zien waar het zwaartepunt moet liggen om van een geslaagde Coen-film te spreken: dichter bij het kwaad dan bij het lachwekkende.

Als er te weinig ‘zwaar’ kwaad in een Coen-film zit, zie je dat onmiddellijk aan de vele vormgrapjes waaraan de broers houvast hebben gezocht, betekenisloze refreinen in de film: de gleufhoed die telkens kwijt dreigt te raken in Miller’s Crossing, het razendsnel volgen van de buizenpost in The Hudsucker Proxy, de sigaretjes die worden gerookt boven de kruinen die de hoofdpersoon aan het knippen is in The Man Who Wasn’t There. Het zijn vermakelijke grapjes van auteurs die de filmkunst beheersen van scenario tot montage, maar een zwakke film wordt er niet helemaal goed van. Als de Coens zichzelf verliezen in hun absurde humor, visueel en verbaal, verliezen ze hun scherpte.

Het kwaad is een bijna onmisbaar element in de cinema geworden. Het is al lang geleden dat het kwaad in een film bestraft diende te worden. In de Verenigde Staten dienden films vanaf 1930 te voldoen aan de zogenoemde Hays Code, een keuring met een sterk moreel karakter. Eerste punt van de algemene beginselen was: ‘Geen film zal worden geproduceerd die de morele standaard verlaagt van degenen die hem zien. Daarom mag de sympathie van het publiek nooit aan de kant van misdaad, wangedrag, kwaad of zonde liggen.’

In de tweede helft van de jaren zestig werd de Hays Code afgeschaft. Daarmee was de dam doorgebroken. Regisseurs als Sam Peckinpah, Arthur Penn en vooral Sergio Leone met zijn spaghettiwesterns maakten films waarin louter schurken rondliepen, en als er eens een brave Hendrik in was verdwaald, werd die bijna het kader uitgehoond door de ellendige hoofdrolspelers. Met de volle sympathie van het publiek. Opzij Doris Day, hier komt Dirty Harry.

De Coen-broers doen precies

hetzelfde. Hun universum bestaat uit kleinere en grotere boeven die allemaal uit zijn op eigen voordeel. Er zit bijna vanzelf iets geestigs in films met en over schurken. Dat zal te maken hebben met het taboe dat daarmee doorbroken wordt; daar wordt het publiek altijd giechelig van. Een man die een vrouw mept – schofterig, schandalig – heeft eerder de lachers op zijn hand dan wanneer hij een man zou slaan. Een film met dat uitgangspunt hoeft niet verder te worden opgesierd met al te veel lol.

Dat wil niet zeggen dat de lolligste films van de Coen-broers slechte films zijn. Raising Arizona, hun tweede film, is bijna een slapstick. Een veelpleger trouwt met een politieagente en ze willen dolgraag kinderen. Helaas, Ed, de vrouw, is van buiten een bloementuin, maar van binnen een dorre woestijn. Als een verrotte miljonair op een dag een vijfling krijgt en zegt dat dat er meer zijn dan hij aankan, besluiten ze één baby te ontvoeren. De miljonair zet meteen een huurmoordenaar op hun spoor. En wat voor een. Randall ‘Tex’ Cobb racet over de wegen op een chopper, met een dubbelloops over zijn schouder. Als hij onderweg een konijntje ziet zitten, trekt hij zijn geweer en knalt het al rijdend overhoop.

Heel geestig, maar als kijker kun je niet bang zijn voor een motorduivel die de moeite neemt om konijntjes dood te schieten. Dat is geen griezel, dat is een stripfiguur. Cobb valt in de derde categorie kwaad die de Duitse criticus Georg Seesslen in het oeuvre van de Coens onderscheidde. Macht is het eerste kwaad, meestal uitgeoefend door dikke, oudere mannen achter monumentale bureautafels (de directietafel in The Hudsucker Proxy heeft de lengte van een kleine startbaan). Dan is er het kwaad dat de onmachtigen daar tegenover stellen omdat zij iets willen hebben dat de dikke machthebbers niet vrijwillig willen geven: een vrouw, een baby, geld, vrijheid. En ten slotte is er het pure kwaad, belichaamd in absurde moordenaars als Cobb.

Chigurh is ook zo’n puur kwade figuur.

Hij is, in de persoon van de Spaanse acteur Javier Bardem met sluikharige pruik, de huurmoordenaar zoals die in zoveel Coen-films optreedt. Hij is even raadselachtig en mythisch als Cobb in Raising Arizona, Karl Mundt in Barton Fink of de sheriff in O Brother, Where Art Thou? Hij heeft een stripboekachtig moordwapen: een apparaat dat gebruikt wordt om in het slachthuis stalen pennen door de kop van een koe te jagen, heeft Chigurh gekoppeld aan een fles samengeperste lucht. De eerste keer dat hij de loop op het voorhoofd van een slachtoffer zet, is tegelijkertijd doodeng en oergeestig.

Chigurh is levensecht genoeg om enger te zijn dan die andere aartsslechteriken uit het Coen-oeuvre. Geen man die zijn tijd verknoeit met konijntjes. En dat maakt No Country for Old Men een betere film dan die andere. Toen deze vorig jaar in Cannes in première ging, won hij weliswaar geen enkele prijs, maar werd hij door de critici met algemeen enthousiasme ontvangen. Dit was na een reeks van drie beduidend mindere films, van The Man Who Wasn’t There tot en met hun remake van The Ladykillers, eindelijk weer een Coen-film die zich kon meten met Fargo en Blood Simple.

De broers hebben ditmaal voor het eerst een boek tot filmscenario omgewerkt, van Cormac McCarthy. Dat hebben ze zeer getrouw gedaan, maar toch is het een echte Coen-film. De hoofdpersoon, Llewelyn Moss, heeft geen edele motieven, zijn achtervolgers hebben al helemaal geen edele motieven en zelfs degene die de achtervolgers achtervolgt heeft geen edele motieven. Een enkele grap hebben de broers toegevoegd aan het verhaal van McCarthy. Een man die door een rivier waadt en zijn achtervolgers probeert af te schudden, wordt nagezeten door een hysterisch hollende hond. Dat kun je eng filmen, maar de Coens filmen het zo dat het gehijg van de hond lachwekkend wordt en zijn dood geen pijn doet, maar wel weemoedig stemt.

En weemoedigheid is het thema van de film, zoals de titel al suggereert. De derde hoofdpersoon naast Llewelyn Moss en Chigurh is de oudere sheriff, gespeeld door de gekreukte Tommy Lee Jones, die bij zijn afscheid dit dialoogje met zijn vrouw voert. Vrouw: „Be careful.” Sheriff: „I always am.” Vrouw: „Don’t get hurt.” Sherif: „I never do.” Vrouw: „Don’t hurt no one.” Sheriff, glimlachend: „Well. If you say so.”

In No Country for Old Men zijn de Coen-kwaden weer alle drie aanwezig, hoewel de rol van de machtige zakenman hier heel klein is. Maar zoals de in-goede politievrouw Marge Fargo perfect in balans bracht, zo doet de melancholieke sheriff dat in No Country for Old Men. Je zou bijna zeggen dat het goede het kwade overwint, maar nee, dat is weer veel te optimistisch.

‘No Country for Old Men’ draait sinds gisteren in de Nederlandse bioscopen.