Lang leve de meervoudige identiteit

Felix Krull munt uit in levenskunsten. Zijn memoires zijn één lange lofzang op genot.

Het interesseert mij niets of Thomas Mann in Felix Krull zijn eigen dagdromen verwerkt heeft. Hij schetst, dat ben ik met Bas Heijne eens, hoe dan ook de ontwikkeling van een kunstenaar aan wie het wegens zijn achtergrond niet vergund was kunstenaar te worden. Gelukkig gaat de aanbiddelijke Felix niet dood aan zijn kunstenaarsnatuur, zoals de jonge Hanno in De Buddenbrooks. Hij overleeft op een grandioze manier de ondergang van de familiefirma en de tragische dood van zijn vader dankzij zijn rijke verbeelding en aangeboren gevoel voor stijl. Misschien had hij niet het talent om uit te groeien tot een even groot kunstenaar als Thomas Mann, maar waar hij zijn schepper verre in overtreft, is levenskunst.

Felix Krull is geenszins een oplichter zoals de titel van zijn memoires ons wil laten geloven, integendeel, de wereld waarin hij gedwongen is te leven bestaat uit geborneerde oplichters die de mensen tevreden willen laten zijn met waar ze nu eenmaal toe zijn voorbestemd. Vooral niet boven je stand willen leven, wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje heette het vroeger. Tegenwoordig wordt ons door moderne liberalen voorgehouden dat het zo heerlijk is om ‘gewoon jezelf te zijn’, behoudende geesten waarschuwen tegen het gevaar van kosmopolitisme, meervoudige nationaliteiten en loyaliteiten en propageren liefde voor de eigen ‘roots’.

Krull vindt niets vervelender dan gewoon zichzelf te zijn. Hij weet niet eens wat dat is. Als iemand die zich voortdurend rollen aanmeet (liftboy in livrei, grand seigneur in smoking) peinst hij: ‘Verkleed was ik dus in elk geval, en de ongemaskerde werkelijkheid tussen de beide verschijningsvormen, mijn ‘ik’ zelf, was niet te bepalen, omdat het in feite niet bestond’.

Wij, lezers van de memoires, zijn er intussen wel achter waar de kern van het zondagskind Felix uit bestaat: een aangeboren gevoel voor stijl, innerlijke beschaving, elegantie, generositeit, vernuft, goede smaak en vooral intense levenslust. Als hij in de voetsporen van een zich kunstenaar noemende markies moet treden om hem op alle gebieden te vervangen, blijkt Felix niet alleen een veel betere markies, maar ook een aanzienlijk begaafder schilder, schrijver en zoon van adellijke ouders te zijn dan de gedegenereerde sukkel die hij vervangt.

De geestesadel van Felix Krull uit zich in de formidabele stijl van zijn memoires die één lofzang vormen op genot en onbelemmerde wellust. Een delicatessenwinkel die hij als kind betreedt, beschrijft hij als ‘een oord van zwelgerij’, wat men als een metafoor voor het leven kan beschouwen. Als er even niemand in dit oord is die hem weerhoudt, laat hij een handvol bonbons in zijn jaszak glijden. ‘Het was warempel een sprookje, een droom! Ik zag hoe de logge orde en wetmatigheid van alledag was opgeheven, hoe de hindernissen en omstandigheden die in het gewone leven tegen onze begeerte ingaan op een zwevende en gelukzalige wijze opzij waren geschoven. De bevrediging om deze overvloedige uithoek van de wereld zo helemaal onderworpen te zien aan mijn eenzame tegenwoordigheid, nam mij zo krachtig in bezit dat ik het in al mijn ledematen voelde jeuken en trekken’.

Felix noemt de overgave aan zijn lustgevoelens geen ‘platvloerse diefstal’, maar een ‘stralende daad’, en hij weet mij ervan te overtuigen dat dit ook geldt voor al zijn latere levenskunsten. Zijn euforie over de onrechtmatig verkregen bonbons beschrijft hij als volgt: ‘Men kan mijn laaiende vreugde slechts delen als men zich voorstelt dat voorwerpen die een prachtige droom ons heeft geschonken bij het ochtendgloren werkelijk en tastbaar op de deken van ons bed liggen, als waren zij overgebleven uit die droom’. De gestolen lekkernijen worden droombeelden die hij heeft gered ‘bij de overgang naar de werkelijkheid’. Een betere omschrijving van wat in essentie een kunstwerk is heb ik zelden gelezen.

Felix zal later nog een diefstalletje plegen dat hem toegang verschaft tot de ‘oorden van zwelgerij’ waarop hij aanspraak meent te kunnen maken. Een rijke dame die hij als liftboy bedient, wil ook ’s nachts van zijn gunsten gebruik maken. Haar hoogste genot ervaart zij als haar ‘boreling van lust’ haar ‘jonge duivel’, haar besteelt, wat hij graag voor haar over heeft.

Hoe jammer, dat Thomas Mann deze bloemrijke Lof der Levenskunst nooit heeft voltooid. Ik kon er geen genoeg van krijgen en dacht werkelijk een vervolg op Multatuli’s Woutertje Pieterse in handen te hebben, waarin de held uitgroeit tot keizer van Luilekkerland, omgeven door stoeten schone vrouwen met golvende boezems die hem ‘O boreling van Lust’ noemen.

Maar nee hoor, dat mocht niet van de burger Thomas Mann, die het niet kon laten al aan het begin van de memoires (bladzij 36) te verklappen dat Felix gestraft zal worden voor zijn levenskunst en tijdelijk in een tuchthuis zal verdwijnen. Alhoewel, gestraft? De ‘moraal’ is dat uiteindelijk vooral zij gestraft worden, die zich laten opsluiten in hun beperkte ‘ik’, hun door afkomst, sekse, nationaliteit, religie of wat dan ook bepaalde ‘identiteit’. De enige conditie waarin Felix Krull kan leven is ‘ongebondenheid van geest en verbeelding’, en daarom heeft hij, terugblikkend, minder onaangename herinneringen aan zijn lange verblijf in het tuchthuis dan aan de ‘slavernij en de angst’ waaraan hij bijvoorbeeld werd blootgesteld als gedrilde scholier in een Duitse provinciestad toen hij gedwongen was zijn armzalige fantasieloze naakte zelf te zijn.

Dit is de derde aflevering in de discussie over ‘Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull’ van Thomas Mann. Discussieer mee via www.nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere artikelen te vinden zijn. Meer informatie is te vinden op www.the-ledge.nl, die met de Leesclub samenwerkt.

PROGRAMMA: Een man wordt ouder (Italo Svevo, januari) - Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull (Thomas Mann, februari)- Alexis / Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) - Huwelijksverhalen (August Strindberg, april) - Pnin (Vladimir Nabokov, mei)