Kraanvogel

De componist Jan van Vlijmen (1935-2004), met wie ik van een afstand jarenlang bevriend ben geweest, was voor zichzelf een streng en voor mij een ongrijpbaar kunstenaar. Misschien omdat hij het grootste deel van zijn leven zijn tijd in hoofdzaak aan organisatorische beslommeringen had moeten besteden (als directeur van – achtereenvolgens – een conservatorium, een podiumkunstenfestival en een operahuis) weigerde hij in zijn werk als componist ieder compromis. Of het nu om zijn verhouding tot opdrachtgevers ging, tot uitvoerende musici of tot zijn publiek, Van Vlijmen maakte uitsluitend wat hij wilde maken, wat hij van zichzelf moest maken.

Met mijn niet musicologisch geschoolde oren zat ik dus wel eens bevreemd te tuiten bij de première van een stuk, waarvan ik wist dat hij er met de complete inzet van zijn hele artistieke persoonlijkheid aan had gewerkt, maar dat zich nauwelijks aan mij wilde openbaren.

Tijdens een oudejaarsavond op het Noord-Franse platteland, waar Van Vlijmen de laatste jaren van zijn leven met zijn vrouw doorbracht – met koortsachtige gedrevenheid componerend, nu hij zich er als gepensioneerde eindelijk voltijds aan kon wijden – vertelde hij het volgende. Bij het maken van een nieuwe opdrachtcompositie was hij zo vastgelopen dat hij onmogelijk meer verder kon. In een impuls was hij op een avond de deur uitgelopen, de duisternis in van het heuvelachtige Franse akkerland. Doelloos rondlopend had hij plotseling hoog boven zich de roep van een overvliegende kraanvogel gehoord en exact op datzelfde moment was hem ingevallen hoe zijn vastgelopen compositie weer vlot getrokken kon worden. Hij hervatte onmiddellijk zijn werk en wist het geheel in de daaropvolgende weken te voltooien. Maanden later zat ik, tijdens de première van het stuk, op basis van mijn inside voorkennis, extra oplettend te wachten op wat moest komen: de kraanvogel. Maar niets hoor; alles bleef abstract en niet zo makkelijk begaanbaar. Iemand aan wie ik deze anekdote vertelde zei me: „Je hebt er inderdaad niets van begrepen. Die kraanvogel zit niet in het stuk: het hele stuk is de roep van die kraanvogel.”

Maarten Asscher