Islam: probleem noch oplossing

Wouter Bos heeft een glansrol in het laatste deel van Philip Jenkins’ trilogie over de toekomst van het christendom.

Philip Jenkins: God’s Continent. Christianity, Islam, and Europe’s Religious Crisis. Oxford University Press, 340 blz. € 27,–

Van veraf gezien biedt Europa in godsdienstig opzicht een merkwaardige, misschien zelfs dreigende aanblik. Op het continent waarop het christendom tot ontwikkeling kwam om de cultuur vervolgens bijna twee millennia lang te bepalen, lijkt die religie inmiddels op sterven na dood. In plaats daarvan begint de islam steeds meer het gezicht van Europa te bepalen. Het gevaar dat ooit bij Poitiers en eeuwen later onder de muren van Wenen werd afgewend, zou daarmee alsnog werkelijkheid zijn geworden. De islam zegeviert in Europa over zowel het christendom als het secularisme dat daaruit in de afgelopen eeuwen is voortgevloeid.

Zo ziet de Europese situatie er volgens Philip Jenkins, hoogleraar geschiedenis en godsdienststudies aan de Penn State University, er in veel Amerikaanse ogen uit. In zijn boek God’s Continent laat hij zien dat dit in werkelijkheid nogal meevalt. Op grond van vele studies en een uitgebreide, zeer actuele documentatie schetst hij een gedetailleerd en goed geïnformeerd beeld van de religieuze situatie in Europa, in nauwe samenhang met de immigratieproblemen van de afgelopen decennia.

God’s Continent vormt het derde en afsluitende deel van Jenkins ‘trilogie over de toekomst van het christendom’, waarin hij eerder de gevolgen van de globalisering voor het geloof en het toenemende gewicht van het zuidelijk halfrond binnen het mondiale christendom beschreef. Dat laatste is niet onbelangrijk, want ook in de Europese kerken neemt hij een toenemende invloed van ‘zuidelijke’ (Afrikaanse, Zuid-Aziatische) immigranten en zelfs ‘missionarissen’ waar. Daaraan ontleent het Europese christendom volgens hem zelfs een belangrijk deel van zijn levenskracht, die niet moet worden onderschat.

Die vitaliteit is grotendeels onzichtbaar. Mensen die zondags probleemloos naar de kerk gaan komen nu eenmaal niet in de krant, zo benadrukt Jenkins herhaaldelijk. Maar ze weerspreekt wel de vrees voor een islamitische overwoekering en tegelijk de secularistische pretentie ‘de’ stem van het hedendaagse Europa te zijn. Jenkins lijkt dat niet te betreuren, zoals ook de meeste van zijn Amerikaanse lezers dat niet zullen doen.

Voor hen is dit boek in eerste instantie geschreven. Europeanen zullen in de panoramische beschrijving van de islamitische aanwezigheid op dit continent, die het grootste deel van het boek beslaat, weinig verrassends tegenkomen. Voor Nederland ruimt Jenkins daarbij een belangrijke plaats in. Theo van Gogh, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali, kardinaal Simonis en zelfs Wouter Bos komen – sommigen zelfs herhaaldelijk – langs.

Die laatste neemt, ondanks zijn wat terloopse verschijning, in Jenkins’ gedachtengang zelfs een sleutelpositie in. Bos’ pleidooi voor een ‘basiscontract’ tussen immigranten en het land van aankomst wordt door hem geciteerd als een belangrijke stap in de verzoening tussen Europa en haar islamitische immigranten. Probleemloos is die verhouding immers allerminst maar Jenkins hoedt zich ervoor de bestaande fricties stuk voor stuk neer te leggen op het bordje van ‘de’ islam.

Overtuigend laat Jenkins zien hoe het islamisme onder Europese jongeren voet aan de grond heeft kunnen krijgen doordat de economische situatie voor hen – na het wegvallen van de industrieën waarin hun vaders werkten – aanzienlijk was verslechterd. Parallel daaraan werden de problemen door de autochtone bevolking niet langer geduid in termen van ras of cultuur, maar van een – kennelijk achterlijke – religie. Aan beide kanten ontstond zo het waandenkbeeld dat ‘de islam’ het probleem, respectievelijk de oplossing was.

Jenkins hoedt zich voor de misvatting die fundamentalisten en hun verlichte bestrijders broederlijk delen: dat de islam een onveranderlijk fenomeen zou zijn, ten diepste onverenigbaar met westerse liberale waarden. Onvermijdelijk zal er in Europa een nieuwe islamitische variant ontstaan, zo meent hij, die zich heeft aangepast aan de veranderde omstandigheden binnen een seculiere cultuur. Zo is het immers de hele geschiedenis door met alle godsdiensten gegaan, en de islam vormt daarop geen uitzondering.

Dat betekent niet dat er op korte termijn geen ernstige gevaren dreigen, al moet men de religieuze wortels van het huidige islamitische geweld niet overschatten. Veeleer vormt de godsdienst de inkleding van een sociaal-economisch probleem dat in de VS in de jaren zestig langs raciale lijnen tot uitdrukking kwam. Voor zover religie hierbij al een rol speelt, wijst dat volgens Jenkins ironisch genoeg juist op de groeipijnen van een moderniseringsproces dat zich achter de façade van fundamentalisme stilzwijgend afspeelt.

Voor zorg is er in Europa’s religieuze landschap dus alle reden, maar niet voor paniek. Wel ziet Jenkins de toenemende islamitische aanwezigheid gevolgen hebben voor het daarin nog altijd levensvatbare christendom. Dat laatste zal zich opnieuw moeten bezinnen op zijn eigen boodschap en traditie. Maar bovenal zal het opnieuw zelfvertrouwen krijgen tegenover het secularisme dat volgens Jenkins in veel landen een verkapt soort ‘staatsdoctrine’ is geworden. Terwijl het christendom er grotendeels het hoofd voor gebogen heeft, stuit het in de islam op een harde grens. De onverzettelijkheid dwingt deze ‘doctrine’ ertoe zich opnieuw rekenschap te geven van het verschijnsel ‘religie’, dat het eigenlijk liever stilzwijgend zag verdwijnen.

De vraag hoe de nieuwe verhouding tussen seculiere staat en maatschappelijke religie er in de Europese toekomst zal uitzien, laat Jenkins open. De vanzelfsprekendheid van een louter godsdienstloos vooruitzicht is ook voor dit continent een illusie, zo concludeert hij – met een merkbare zucht van verlichting.