Infantiele leuzen vormen geen democratisch recht

Vrijheid van meningsuiting is het grootste goed van de rechtstaat. Maar begrip voor de beledigden valt toch wel op te brengen, zegt H.W. von der Dunk. Dom gescheld is geen recht.

Het betoog van Frank Ankersmit dat de vrijheid van meningsuiting de grondslag vormt van de westerse democratie, zonder mitsen en maren, sluit als een bus. Niet de staat maar de rechter is nu eenmaal het adres voor klachten over een beledigende film.

Toch verdient daarmee het artikel van Farhard Golyardi, Faisal Mirza, Shervin Nekuee, Frank Siddiqui en Tariq Sjhadid (Opinie & Debat, 9 februari) niet belerend te worden afgedaan als teken van moslims die de kwintessens van onze democratie niet hebben begrepen, juist nu Nederland slecht staat aangeschreven wegens islamofobie en toenemend racisme. Decennialang stonden we vooraan om anderen op dat gebied op hun feilen te wijzen. Nu we lik op stuk krijgen zoals in het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie zijn we geneigd dat als eenzijdig af te doen.

Verliest daarmee het beginsel van meningsvrijheid als onaantastbare grondslag van de democratie een jota van de geldigheid waar Ankersmit op wijst? Allerminst. Maar als we menen nieuwkomers hier een lesje te moeten leren, dan mag daar wel een voetnoot bij. Het is met de vrijheid van mening als met de tolerantie: ze veronderstelt een wederzijdse bereidheid om het inderdaad bij een mening te laten.

Maar helaas, de samenleving is geen sociëteit van beschaafde heren of een academisch seminar. Meningen in de politieke realiteit zijn slapende daden en leiden tot acties. De rechtstaat zit altijd weer met de vraag óf en wanneer opwekking tot haat en opruiende taal strafbaar is. Of Mein Kampf mag worden herdrukt, is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Bij oorlogsslachtoffers komt de staat onder druk te staan, oorlogstrauma’s brengen een eigen moraal mee.

Kortom, herhaaldelijk komt de grens van meningsvrijheid in zicht. Er is daarom geen reden om de vijf auteurs tegenover de Nederlanders te zetten die allemaal zo vuurvast in de democratische leer zouden zijn. Bovendien zijn er in onze democratie interne controles ingebouwd en bestaat er zelfcensuur op onwelgevallige standpunten. De kordate stelling dat „Niemand een strobreed in de weg mag worden gelegd” (die kop zal niet van Ankersmit zijn!) is dan ook meer theorie dan praktijk.

De voorzorgsmaatregelen tegen aanslagen op onze buitenlandse ambassades na een eventuele verschijning van de Wildersfilm, die als bewijs van „de kracht en grandeur” van onze democratie worden aangevoerd, tonen overigens wel een apart Nederlands soort kracht en grandeur nu we, terecht of niet, in ons hemd worden gezet als kruideniers bij de beschermingskwestie van Hirsi Ali – in elk geval een consequentie van meningsvrijheid die we ook onder ogen moeten zien.

Maar er speelt nog iets heel anders: door de vulgarisering van de politieke cultuur komt de meningsvrijheid in een nieuwe fase. Voltaire (gestorven 1778) deed zijn befaamde uitspraak (dat hij zijn leven zou geven voor het recht van de meest verfoeilijke mening om te worden gehoord) in een tijd toen het publieke debat als vanzelfsprekend speelde binnen een beschaafde burgerij die bovendien geen enkele politieke macht had. Het type-Hitler was onbekend.

Wanneer nu infantiele leuzen worden gepropageerd als dat het ‘een democratisch recht’ is om naar hartelust te mogen beledigen, dan zijn we met onze vrijheid terug in de zandbak. Dan is er ook geen reden om geschokt te zijn als iemand het eveneens zijn vrij recht noemt om op zijn manier terug te slaan. Bij gebrek aan argumenten bijvoorbeeld met een mes.

H.W. von der Dunk is emeritus hoogleraar geschiedenis.