In Kosovo zijn in negen jaar miljarden verdwenen

In opbouwprojecten in Kosovo zijn miljarden gestoken, aan de elektriciteitscentrale alleen al een miljard. Maar Kosovo zit nog altijd vaak zonder stroom.

Vanaf het plein van Decani, een stad in het westen van Kosovo, zijn de bergtoppen zichtbaar. Over de bergen werden, vanuit Albanië, tijdens de Kosovo-oorlog (1998-1999) wapens gesmokkeld waarmee het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK vocht tegen de Serviërs.

Decani was toen een belangrijk kruispunt. Nu is het een slaapstad. Duizenden jonge UÇK-veteranen, gemiddeld dertig jaar oud, lopen er werkloos en gefrustreerd over straat. Door iedereen in de steek gelaten. Op één man na: Florin Krasniqi, een steenrijke dakbedekker uit New York, van Kosovaarse afkomst. Hij zamelde tijdens de Kosovo-oorlog in Washington al geld in om wapenleveranties aan het UÇK te betalen.

Negen jaar na de oorlog toont Krasniqi weer initiatief. Op de berg, boven de kolkende rivier de Lumbardh, heeft hij miljoenen dollars geïnvesteerd in de bouw van een waterkrachtcentrale.

„Toen leverde hij wapens, nu stroom”, zegt werknemer Bujar Krasniqi, een volle neef van Florin. Trots wijst Bujar naar de Sloveense turbines en een nieuwe generator, van Kroatische makelij. „De onderdelen komen uit alle ex-Joegoslavische landen. Typisch Florin: hij is een pragmaticus. Geen gezeur, maar doen!”

In Decani leven twintig families van het werk in de waterkrachtcentrale. Met acht megawatt is de stroomvoorziening van Decani en omgeving gegarandeerd.

„Dit is, helaas, een uniek project”, zegt Luan Shllaku, hoofd van de Open Society (Soros)-stichting in de Kosovaarse hoofdstad Priština. Shllaku schreef onlangs een kritisch rapport over de Kosovaarse energiesector. „Het VN-bestuur UNMIK in Kosovo en de Kosovaarse regering hebben honderden miljoenen gestoken in de wederopbouw van de oude, gammele energie-infrastructuur. Maar ze hadden beter kunnen investeren in waterkrachtcentrales als die van Krasniqi.”

Onder voogdij van UNMIK groeide Kosovo na 1999 uit tot een ‘donor darling’. Om het land weer in de steigers te zetten legde de internationale gemeenschap miljarden opzij.

Westerse bedrijven kwamen af op de fors gesubsidieerde wederopbouwprojecten, zoals Kosovo’s oude elektriciteitscentrale KEK.

Naar schatting één miljard euro werd in totaal uitgegeven aan het repareren van KEK. Het EU-agentschap voor Wederopbouw beheerde het geld. „De resultaten zijn bedroevend”, zegt Shllaku. „Technische storingen zijn niet verholpen. Kosovo zit nog altijd een dagdeel zonder stroom. Elke Kosovaar heeft een noodaggregaat bij de hand. En ondertussen vraagt iedereen zich af: waar is het KEK-miljard gebleven?”

Een paar kilometer buiten Priština kringelt gele rook uit de schoorstenen van KEK-centrales A en B. Het complex oogt als een apocalyptisch labyrint van roestige buizen, nodig toe aan vervanging.

Na 1999 vloog UNMIK Europese energie-experts in, om KEK er bovenop te helpen. In 2002 ging de Duitser Josef Rieder aan de slag. Na een paar maanden vroeg een Kosovaarse krant hem wie verantwoordelijk was voor de 4,5 miljoen euro die waren verdwenen uit de KEK-kas. „Een UNMIK-werknemer”, zei Rieder. „Maar het geld is inmiddels terugbezorgd. Ja, er ís corruptie binnen KEK, zoals overal in Kosovo.” Rieder trad kort daarna af.

Er werden door UNMIK en het EU-agentschap voor Wederopbouw andere westerse managers aangesteld, en in hun kielzog kwamen energiebedrijven uit Europa naar Priština om hun diensten aan te bieden. „Met plannen voor onderhoud, het leveren van reserveonderdelen en advies,” zegt Shllaku.

Uit Duitsland arriveerden VEAG en E-ON. Een consortium van het Franse Alstom en het Britse Innogy sloten een contract van 640 miljoen euro. Ook het Ierse energiebedrijf ESB deed mee. ESB kreeg 10 miljoen euro voor een drie jaar durende ‘consultancy’-opdracht.

„Het heeft allemaal niets uitgehaald”, zegt Shllaku. Die conclusie is volgens hem al bitter genoeg. „Maar nog erger is het feit dat al die bedrijven hebben geweten dat het geen zin had. Er is een miljoenendans opgevoerd rond een sterfhuis. Met het geld dat is rondgepompt hadden we een gloednieuwe centrale kunnen bouwen.”

Shllaku hoopt dat na de onafhankelijkheid de Kosovaarse regering een langetermijnstrategie voor de energiesector ontwikkelt. „Er ligt een plan klaar voor de bouw van een KEK C-centrale. Ze willen er nog eentje bijbouwen. Catastrofaal”, zegt Shllaku.

Hij raadt het KEK-bestuur allereerst „een schone-handenoperatie” aan. „Met het huidige imago zal geen enkele fatsoenlijke buitenlandse investeerder het in Kosovo nog aandurven. Want zoals bij KEK zijn er ook elders in Kosovo miljarden aan wederopbouwgeld ontvreemd.”