Hij preekte soberheid vanuit zijn luxueuze paleizen

Anthony Everitt: Augustus, de eerste keizer. Uit het Engels vertaald door Rob Hartmans. Ambo/Manteau, 480 blz. € 29,95

In de zomer van 14 na Christus was Octavianus Augustus de uitputting nabij. Toen hij de dood voelde naderen verzamelde de eerste keizer van Rome zijn verwanten en vrienden rond zijn bed en vroeg hun met veel gevoel voor theater: „Als ik mijn rol in de komedie ‘Leven’ goed heb gespeeld, klapt dan in uw handen en leidt mij in dankbaarheid van het toneel.’’

Het waren de woorden van iemand die zijn hele leven rollen had gespeeld, eerst die van machtszoeker en toen hij een einde had gemaakt aan de republiek, die van vredesvorst.

Augustus is in de loop der tijd zeer wisselend beoordeeld. Sommigen oordelen uitermate negatief, zij zien hem als een sluwe machtspoliticus die zijn eigen plan trok en dat beloond zag met de alleenheerschappij in het Romeinse rijk. Anderen zijn positiever, zij beschouwen Augustus als een gematigd monarch, die een einde maakte aan de onrust in de laatste eeuw van de Romeinse republiek en zijn alleenheerschappij (principaat) inpaste in een republikeins aandoende staatsvorm, zonder dat dit ten koste ging van de steun van de elite, het stadsvolk of de soldaten.

Tot die laatste categorie behoort Anthony Everitt. Zijn biografie vormt een welkome verrijking van de al goed voorziene Augustusbibliotheek, niet vanwege spectaculaire nieuwe inzichten, maar omdat hij Augustus integer en helder portretteert, met al zijn goede en slechte eigenschappen. Alle belangrijke fasen uit het lange leven van de keizer (63 v. Chr. -14 na Chr.) komen uitgebreid aan bod: zijn kinderjaren, zijn adoptie door dictator Caesar, zijn machtsstrijd met de republikeinen, de oorlog tegen zijn laatste concurrent Marcus Antonius, zijn moeizame familieleven en ten slotte zijn 41 jaar durende alleenheerschappij waarin hij erin slaagde om het verdeelde Rome weer op één lijn te krijgen.

Het wordt allemaal mooi verteld en geanalyseerd. In zijn laatste hoofdstuk ‘Naar de toekomst’ geeft Everitt nog een fraai inkijkje in de complexe persoonlijkheid van de eerste keizer: hij was een liefhebbende familieman maar tegelijk een geile bok en een veeleisende tiran, hij preekte soberheid maar liet luxueuze paleizen bouwen, en hij liet zijn masker van welopgevoede patroon van de kunsten vallen als hij werd gedwarsboomd. Misschien dat Augustus ook die tegenstrijdigheden in zijn eigen optreden in gedachten had toen hij met de dood voor ogen sprak over het leven als rollenspel.