Het hoofd hoeft niet koel te zijn

Hun werk is eeuwen geleden geschreven, maar toch spreken klassieke Japanse auteurs zo helder tegen je dat het lijkt of ze naast je in de trein zitten.

Eeuwige reizigers. Een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur. Gekozen, vertaald en ingeleid door Jos Vos. De Arbeiderspers, 787 blz. € 45,–

In vele opzichten staat Japan in het Westen voor het wezensvreemde, het exotische, het ongrijpbare. Het is op het oog een gespleten land, waarvan de geschiedenis een mengsel is van botte oorlogszucht en culturele fijnzinnigheid, en waar traditie hand in hand gaat met vernieuwing. De moderne Japanse literatuur – dankzij Mishima, Oe, Kawabata, Tanizaki en Murakami ook hier doorgebroken – heeft een soortgelijke gespleten kwaliteit. Ze is hedendaags én traditioneel én tijdloos. Ze raakt iets fundamenteel menselijks aan, maar verwondert tegelijk met haar mystieke boventonen.

Dat beeld is niet zomaar ontstaan, blijkt uit Eeuwige reizigers, een indrukwekkende dwarsdoorsnede van klassieke Japanse literatuur uit de periode van 710 tot 1833. Aan de hand van vier historische perioden leidt samensteller en vertaler Jos Vos ons door de Japanse literaire geschiedenis.

Wat voorbij komt is fascinerend en rijkgeschakeerd, maar tegelijk maakt het onmiskenbaar deel uit van één en dezelfde traditie. Het kloppend hart van die traditie is het werk van hooggeplaatste dames aan het hof van Kyoto, in het Heian-tijdperk (794-1185). Shikibu Murasaki schreef indertijd hét klassieke Japanse prozawerk: Het verhaal van Genji, een ruim duizend pagina’s tellende roman met tientallen afgeronde karakters. Genji zelf is een appetijtelijke prins die er vele vriendinnen op na houdt, maar niettemin een tragisch lot zal ondergaan. Zijn liefde voor de concubine van zijn vader is gedoemd, zodat hij op zeker moment een kind steelt dat op haar lijkt – met het doel het groot te brengen tot ideale maîtresse. Het verhaal van Genji maakte school op vele vlakken: de interne samenhang, de ambitieuze omvang, het moderne oog voor psychologie en de glasheldere karakterisering zouden schrijvers een millennium lang blijven inspireren. Yasunari Kawabata noemde het in zijn Nobelprijs-speech ‘het hoogtepunt van de Japanse literatuur, waarmee tot aan onze eigen tijd geen roman te vergelijken valt.’ Toch is het nog steeds niet volledig in het Nederlands vertaald. Vos – die tien jaar lang les gaf in Osaka en Kyoto – heeft in deze uitgave een groot fragment van 50 pagina’s opgenomen.

Het is verleidelijk kriskras door de rijkdom van Eeuwige reizigers te dwalen, maar dat heeft een groot nadeel. Meer dan enig ander land – China wellicht uitgezonderd – kent Japan een onafgebroken literaire traditie, in een taal die door de eeuwen heen relatief weinig veranderd is. Japanse schrijvers hebben altijd oog gehouden voor hun voorgangers, of deze nu honderd of vijfhonderd jaar eerder actief waren. In ‘middeleeuwse’ geschriften over een burgeroorlog, in de reisverslagen van de dichter-reiziger Matsuo Basho, in het No- en Kabuki-theater, of gedichten in tanka-, ketting- of haiku-vorm: veelvuldig worden klassieke teksten hernomen of aangehaald. Misschien ook als tegengif voor het boeddhistisch besef dat niets blijvend is – tradition is the illusion of permanence, om met Woody Allen te spreken. Wie Vos’ boek chronologisch tot zich neemt, wordt getroffen door de ordenende kracht van de traditie. Zeer uiteenlopende schrijvers – van de passieve hofdame van Het herfstdradendagboek, tot de zelfbewuste Sei Shonagon, van de bewust eenvoudige Bashon, tot de hoogdravende dichter-schilder Buson – blijken literaire bloedverwanten. Japanse schrijvers van alle tijden staan veel duidelijker op de schouders van Murasaki, dan Grunberg op de schouders van Bredero staat.

In zijn gezaghebbende geschiedenis van de Japanse literatuur omschreef criticus en schrijver Shuichi Kato het ‘typisch Japanse’ als volgt: ‘De onmiskenbare tendens in de Japanse cultuur is het omzeilen van logica, abstractie en systematiek, ten faveure van emotie, het concrete en het ongeordende.’ Met ‘concreet’ bedoelde Kato niet te zeggen dat in Japan geen ruimte is voor metafysica – dat is er, getuige de prominente rol van het spirituele, fantastische en sprookjesachtige, in overvloed. Kato’s punt is dat de Japanse literatuur veel minder dan in het Westen gevoed en gevormd is door filosofische ontwikkelingen. Weliswaar hebben confucianisme en boeddhisme hun stempel gedrukt, maar in de Japanse literaire geschiedenis overheersen het gevoel en de impressie, de mens en de natuur. Kato: ‘In Japan heeft literatuur tot op zekere hoogte de rol gespeeld die filosofie in Europa had. Tegelijk heeft literatuur het geheel der kunsten beïnvloed op een manier die Europa nooit gekend heeft.’

Dit heeft ook te maken met de langdurige perioden van culturele afsluiting van Japan, bijvoorbeeld tijdens het Tokugawa-shogunaat van de Edo-periode (1600- 1868). In spurts absorbeerde Japan externe invloeden – Chinese, Koreaanse, en nu Amerikaanse – om er vervolgens enigszins autistisch een eigen brouwsel van te maken.

De nadruk op gevoel en subjectieve beleving heeft als bijwerking dat Japanse teksten een grotere houdbaarheid hebben. De vertellers spreken van over een rivier van eeuwen tot ons, met een helderheid alsof ze naast ons in de trein zitten. De voornaamste thema’s – intermenselijke beslommeringen, de schoonheid van de natuur, en gevoelens van nostalgie, verlangen en vertedering – zijn nog steeds invoelbaar. Terwijl filosofische systemen transformeren en uit de gratie raken, waardoor de eruit voortvloeiende literatuur genadeloos veroudert.

Er valt veel te lachen in Eeuwige reizigers. Het hoofdkussenboek van Sei Shoganon roept dankzij haar kostelijke geklaag over seksuele spelletjes, incompetente mannen en alledaagse tegenslagen associaties op met Sex and the City. Ihara Saikaku schreef satirische gidsen voor de tijdens de Edo-periode opkomende rosse buurten. En het levendige Kabuki-theater biedt een smakelijk soort vermaak waarvoor John Lanting zich niet zou schamen – al put ook Kabuki rijkelijk uit klassieke teksten en historische voorvallen.

Maar de overheersende klankkleur is die van ernst, van mono no aware, de droefheid der dingen. Kinderen gaan dood, hofdames worden oneindig gekweld door ontrouwe edelmannen, oorlogen gaan verloren, en wie schaamte voelt, verkiest het klooster of seppuku, het openrijten van de eigen buik. Al dat leed wordt begeleid door schaamteloze tekenen van emotie – zelfs dappere samoerai huilen geregeld hun mouwen vol met tranen. Verfrissend, want het laat zien dat koele distantie niet een noodzakelijke beginvoorwaarde voor literatuur is.

In het boeddhisme wordt gesproken van het lijden dat leven heet, en de vergankelijkheid van alle dingen, en Japan is inderdaad een boeddhistisch land. Maar verval en verlies zijn tegelijk universele gegevens waar elk mens – van welke gezindte dan ook – mee worstelt. De melancholicus ziet in de Japanse schrijver een lotgenoot, of het nu premoderne auteurs zijn, of 20ste-eeuwse grootmeesters. Je ziet mono no aware zelfs bij recente succesauteurs als Banana Yoshimoto en Haruki Murakami. Diens Norwegian Wood gaat niet wezenlijk over iets anders dan het dagboek van de hofdame die in de 10de eeuw haar tragische liefdesleven uit de doeken deed.

Vos heeft met Eeuwige reizigers een monumentale taak op zich genomen en deze met glans volbracht. Wie het boek uit heeft, kent niet alleen de literaire geschiedenis beter, maar begrijpt ook iets meer van het huidige Japan. Waarmee niet is gezegd dat het boek foutloos is. Vos besteedt relatief weinig aandacht aan de in het Westen bekendste Japanse dichtvorm, de haiku (of hokku). En in academische kringen zal er gemord worden over de moderne, weinig puristische vertaling, waardoor een edelman met vele minnaressen opeens een ‘playboy’ heet te zijn. Maar een kniesoor die er op let. In het Nederlands bestaat al een mooie haiku-bundel – J. van Toorens Een jonge maan, dat naar klassiek voorbeeld in seizoenen is onderverdeeld. En Vos ontsluit met zijn vertaling en annotaties optimaal een literair landschap, dat goeddeels voor Nederlandse ogen verborgen is gebleven. Zijn aanpak past ook in een Japanse traditie. Tanizaki hertaalde ooit Het verhaal van Genji op soortgelijke wijze voor nieuwe generaties, terwijl hij aan zijn – door de klassieken beïnvloede – meesterstuk Stille sneeuwval werkte.

Op Japanse scholen en in Japanse huiskamers worden de Japanse klassieken nog geregeld gelezen. De vergankelijkheid van alle dingen ten spijt, zijn oude bomen in bloei blijven staan. Eeuwige reizigers laat zien waarom.