Geloof maakt ieder verzinsel waar

Wat is religie? Gevoel en smaak voor het oneindige, meende de romanticus Schleiermacher. Een fictie die het waard is geloofd te worden, vond de pragmaticus William James . Kan de moderne gelovige van deze filosofen leren?

Friedrich Schleiermacher: Over de religie. Betogen voor de ontwikkelden onder haar verachters. Vertaling Willem Visser. Tekstbezorging Willem Visser & Herman Westerink. Boom, 163 blz. € 28,50.

William James: De wil om te geloven en andere populair-filosofische essays. Vertaling A. Scheepers. Voorwoord Peter Sloterdij, nawoord Hein van Dongen. Abraxas, 218 blz. € 22,50.

De religie wil ons maar niet loslaten. God is al diverse keren ‘dood’ verklaard. Kerken worden verbouwd tot boekhandels en poptempels. Priesters en nonnen trouwen, dominees verkondigen van de kansel niet meer in de Heer te geloven. Maar zie, tegelijkertijd verschijnt de EO op de tv, zit de Christen-Unie in het kabinet en verrijzen overal in de stad moskeeën. En het publieke debat wordt gegijzeld door de angst voor de religieuze reacties op een film die niemand gezien heeft. De vraag is alleen: heeft dit alles nog iets met religie te maken?

Luisteren we naar Friedrich Schleiermacher (1768-1834) in Über die Religion, dan luidt het antwoord: weinig of niets. Nu schreef Schleiermacher zijn onlangs opnieuw in het Nederlands vertaalde boek in 1799, toen er van moslim-extremisme of van Geert Wilders nog geen sprake was. Toch stond de religie destijds ook in een kwade reuk. Door de denkers van de Verlichting werd zij bestreden om haar fanatisme en onverdraagzaamheid. Schleiermacher is het daar helemaal mee eens, maar met de ware religie hadden zulke excessen niets te maken, vond hij.

In vijf ‘betogen’, uitdagend gericht tot de ‘ontwikkelden’ onder de ‘verachters’ van de religie, zet Schleiermacher gepassioneerd en met veel omhaal van woorden uiteen wat religie dan wel is. Met metafysica en dogmatiek heeft zij volgens hem niets van doen, net zo min als met moraal. Alle ontaarding van de godsdienst komt voort uit de vermenging van de ware religie met deze haar wezensvreemde elementen. Dus weg ermee! Religie, schrijft hij in een beroemd geworden formule, is ‘gevoel en smaak voor het oneindige’.

Alles komt aan op de Anschauung van het oneindige universum, dat overal is en dat door iedereen op een eigen manier kan worden ‘geschouwd’. Er is, met andere woorden, geen grens aan het aantal religieuze ervaringen. Want dat lijkt het religieuze voor Schleiermacher toch in de eerste plaats te zijn: een ervaring, individueel en intens, zich concentrerend in het ogenblik en gericht op ‘het Ene en het Al’.

Schleiermacher doet zijn best om van de religie iets te maken dat volstrekt op zichzelf staat en buiten zichzelf niets nodig heeft. Zelfs god en de onsterfelijkheid kunnen gemist worden. Dat klinkt wel erg onorthodox. Kun je het eigenlijk nog wel religie noemen? De nadruk op het zelfstandige ofwel autonome karakter van de religieuze schouwing doet eerder aan de kunst denken, die in de 18de eeuw eveneens haar autonomie ontdekte. En met vergelijkbare consequenties, want de romantici claimden voor hun autonome kunst net zo’n connectie met het oneindige. Belichaamde het romantische kunstwerk niet ook het oneindige in een eindige vorm?

De gelijkenis berust niet op toeval. Toen Schleiermacher Over de religie schreef, deelde hij – in Berlijn – een woning met de romantische criticus Friedrich Schlegel. Hij werkte mee aan diens tijdschrift Athenäum, waarin zijn ‘betogen’ door dezelfde Schlegel uitbundig werden geprezen. Volgens Schleiermacher konden waarachtige priesters (mensen met een originele schouwing, die optraden als ‘middelaar’ voor degenen die nog niet zo ver waren) heel goed vergeleken worden met kunstenaars en dichters, zij het dan zonder schilderij of gedicht.

De romantici, op hun beurt, vergeleken ware kunstenaars en dichters met ‘priesters’, ook al schrijft Schlegel ergens dat religie voor hem toch voornamelijk neerkwam op ‘enthousiasme’. Blijft de vraag wat de religie méér was voor Schleiermacher? Wat hield een religieuze schouwing of ervaring in, los van een vaag holisme?

In het tweede en langste betoog (over ‘het wezen van de religie’) wordt zo’n religieus moment in bijna erotische termen beschreven: ‘Vluchtig is het, doorzichtig als de eerste geurige nevel waarmee de dauw de ontwaakte bloemen bewasemt, schuchter en teder als de kus van een maagd, heilig en vruchtbaar als de omhelzing van een bruid; en ja, dat ogenblik is niet als dit alles, het is het zelf. […] Ik lig aan de boezem van de oneindige wereld; op dat ogenblik ben ik haar ziel, want ik voel al haar krachten en haar oneindige leven als mijn eigen leven; ze is op dat ogenblik mijn lichaam, want ik doordring haar spieren en haar ledematen zoals die van mezelf’.

Tenslotte staat het religieuze gevoel uit deze omarmende penetratie op om zich in de ziel te weerspiegelen ‘als het beeld van de zich losrukkende geliefde in het opgeslagen oog van de jongeling’, waarna het zich verspreidt ‘als een blos van schaamte en lust over zijn wangen’.

Dat is niet niks. Maar wat is het precies: een emotionele versie van Spinoza’s amor intellectualis dei, een lieflijke variant van Nietzsches dionysische roes of allebei tegelijk? Schleiermacher verklaart zich nader: het doel van de religie is ‘het beminnen van de wereldgeest en het vreugdevol beschouwen van zijn werken’. Waar vinden we de wereldgeest? Niet zomaar in de uiterlijke natuur, zo blijkt; wat Schleiermacher bedoelt valt niet samen met de in de 18de eeuw zo populaire esthetische ervaring van het ‘sublieme’, opgeroepen door woeste bergketens of storm op zee. De wereldgeest moeten we zoeken, aldus Schleiermacher, in de ‘wetten’ van de natuur. Hoe meer kennis, des te dieper de ervaring: de wetenschap baant hier dus het pad naar de religieuze mystiek.

Met die wetenschap bedoelde Schleiermacher meer de romantische Naturphilosophie van Schelling cum suis dan de mechanistische fysica, die eerder in de eeuw tot de ‘natuurlijke religie’ (het bestaan van God bewezen op grond van de orde in het universum) had geleid. Voor de verlichte natuurlijke religie, nog altijd actueel onder de benaming Intelligent Design, heeft Schleiermacher geen goed woord over. Veel liever zijn hem de bestaande ‘positieve’ religies, waartegen de Verlichting te hoop liep.

In het laatste ‘betoog’ komt vooral het verguisde christendom er goed af. Alle leerstelligheid en alle wereldse bemoeienis worden weliswaar afgewezen, maar de kern van de christelijke boodschap blijkt exact overeen te komen met wat Schleiermacher zelf beweert over de ware religie: ook in het christendom zou alles draaien om het ‘streven van al het eindige naar de eenheid van het geheel’. En Christus wordt gepresenteerd als het prototype van de ‘middelaar’, zonder wie dit streven bij de meesten van ons zonder resultaat zou blijven. Het is een verrassend slotaccoord, deze rehabilitatie van het christendom. Friedrich Schlegel (die zich in 1807 tot het katholicisme zou bekeren) kwam daar pas veel later aan toe, maar Schleiermacher was dan ook een praktiserend dominee toen hij Over de religie schreef.

De identificatie van christendom met romantisch holisme behoort mijns inziens tot de minst overtuigende kanten van Over de religie. Want het is wel erg handig om alles wat niet in je kraam te pas komt (en dat is bij het christendom heel veel) als niet waarlijk religieus opzij te schuiven en toch vol te houden dat het nog steeds om christendom gaat. Zo gemakkelijk valt de band met de romantische kunst en poëzie niet af te schudden. Wat kan zo’n – in wezen onmogelijke – schouwing van het oneindige universum tenslotte anders zijn dan een romantische fictie waarin de schouwer zelf is gaan geloven?

Een andere vraag is of je daar iets tegen moet hebben. Misschien is het geloof in zo’n verzinsel juist bijzonder heilzaam. Deze visie vinden we bij William James (1842-1910), van wie onlangs enkele lezingen uit de bundel The Will to Believe (1897) zijn vertaald. De afstand lijkt groot tussen de Duitse romantische dominee en de Amerikaanse psycholoog en filosoof, een van de geestelijke vaders van het ‘pragmatisme’, maar in de praktijk blijkt dat reuze mee te vallen. William, de oudere broer van de romancier Henry James, verdedigt de ‘legitimiteit van het religieuze geloof’ met het even pragmatische als psychologische argument dat het zinvol is om te geloven in ficties, hypotheses of mogelijkheden, zo lang ze beantwoorden aan reële behoeften.

James is er niet op uit om ‘absurditeiten’ te legitimeren. Maar wat is erop tegen om te geloven in ‘het bestaan van een of andere ongeziene orde waarin de raadsels van de natuurlijke orde kunnen worden verklaard’? Misschien zijn wij mensen wel net als de huisdieren, oppert hij: zoals huisdieren zonder het ten volle te beseffen deelnemen aan de menselijke orde, zo nemen wij misschien zonder het ten volle te beseffen deel aan zo’n onzichtbare hogere orde.

Maar dat is niet het enige: door datzelfde geloof zouden deze ficties ook wel eens werkelijkheid kunnen worden. De pragmatische psycholoog James spreekt in dit verband van het ‘zelfverifiërende geloven’ oftewel: die niet waagt, die niet wint. Om identieke redenen is het volgens hem zinvol om te geloven dat we in een moreel universum leven of dat het leven de moeite waard is om geleefd te worden. Door dit geloof te willen wordt het ook een beetje of zelfs helemaal waar.

Zo’n sterk geloof in de wil lijkt typerend voor Amerika, in James’ dagen nog het continent van de onbegrensde mogelijkheden. Maar de wil om te geloven in de waarheid van de poëzie en haar ficties was minstens zo sterk bij Schleiermachers romantische vrienden. Romantiek en pragmatisme blijken opeens dichter bij elkaar te staan dan je op het eerste gezicht zou denken.

Ontbreekt de ‘wil om te geloven’, dan blijft het uiteraard allemaal fictie en is het onzin om er religie van te maken. Waarom zouden we? Alsof poëzie op zichzelf niet genoeg is. Aan de andere kant zou een dergelijke fictie, pluriform en tolerant, de religie beslist geen kwaad doen.

Dachten alle gelovigen tegenwoordig als Schleiermacher of James, dan kon Geert Wilders rustig zijn film uitzenden zonder dat iemand hoefde te vrezen voor de gevolgen. In dat geval zou Wilders zelfs geen enkele geldige reden hebben gehad om zijn film überhaupt te maken.