Enerzijds, maar ook anderzijds

Waar ging het om bij de modernisten en wat hadden ze met elkaar gemeen? De Amerikaanse historicus Peter Gay maakte een eigenaardige balans op.

De viool, een schilderij van Juan Gris uit 1916 reproarte.com

Peter Gay: Het modernisme. De schok der vernieuwing. Vertaling: Rob van Essen. Ambo, 531 blz. € 29,90

Nu het modernisme als kunststroming alweer een flinke tijd is afgesloten, lijkt het moment aangebroken er opnieuw naar te kijken. Modernistische kunstenaars uit de 20ste eeuw waren doorgaans scheutig met credo’s en manifesten, ze grossierden in apodictische stellingen om hun kunst te legitimeren, maar nu het stof is neergedaald en de echo’s zijn weggestorven, nu veel schokkende kunst allang klassiek is geworden, kunnen we er van een afstand door onze eigen ogen naar kijken: waar ging het werkelijk om, wat is de aard van deze revolutie in de kunst? Wat hadden de vernieuwers met elkaar te maken? En in hoeverre waren ze kinderen van hun tijd?

Op het eerste gezicht lijkt de in Duitsland geboren Amerikaanse historicus Peter Gay (1923) een uitgelezen figuur om een geschiedenis van het modernisme te schrijven. In zijn studies over de Weimar- republiek, Sigmund Freud, de Verlichting en de 19de-eeuwse burgerij heeft hij blijk gegeven van een onderzoekende blik, die zich niets gelegen laat liggen aan geaccepteerde meningen en ingesleten noties. Gay geldt weliswaar als een veelschrijver, die bovendien bovenmatig gebruik schijnt te maken van researchers, maar wat hij schrijft is doorgaan fris en scherp. Ik verheugde me dan ook op zijn Modernism; the Lure of Heresy, een meer dan 500 bladzijden tellende studie.

De twee onderscheidende kernmerken van het modernisme als kunststroming zijn volgens Gay een heftig verzet tegen conventies en een even grote hang naar subjectiviteit, onderzoek naar het zelf. Nadat hij die simpele uitgangspunten heeft gedefinieerd, behandelt hij stuk voor stuk de volgens hem belangrijkste modernisten op het gebied van de schilder- en beeldhouwkunst, de literatuur, de dans, de film en het toneel, beginnend bij de aankondigers van vernieuwing als Baudelaire, Flaubert en Wilde, eindigend bij pop-art en Márquez. Daarbij heeft hij – helaas – niet gekozen voor de analyse, maar voor de opsomming; het grootste deel van zijn boek bestaat uit brave uittreksels van de biografieën van de door hem behandelende kunstenaars. Gay legt nauwelijks verbanden, en als hij het wel doet, zijn die oppervlakkig, zoals wanneer hij de verwantschap tussen Virginia Woolf en Marcel Proust probeert uit te leggen.

Dit boek is een teleurstelling. Vijfhonderd bladzijden lang heb ik nergens van opgekeken. Over het modernisme heeft Gay niets nieuws te melden. De reden daarvoor is dat hij geen kunstcriticus is; hij is niet in staat om vanuit de kunstwerken te denken. Steeds weer vlucht hij in feitjes over de kunstenaars. Al in de eerste hoofdstukken krijgen we alle overbekende modernistische adagia voorgeschoteld, de oproep van Ezra Pound (‘Make it new!’), de eis van Rimbaud (‘een rationele ontregeling van de zintuigen’) en de stelligheid van Baudelaire (‘Il faut être de son temps’). Er volgen geen nieuwe inzichten, geen onverwachte verbindingen, en zeker geen geconcentreerd onderzoek, zoals in de recente studie van de Brit Roger Griffin, waarin de verbanden tussen het modernisme en het fascisme worden blootgelegd.

Wel heeft Gay een aantal stokpaardjes, die hij om de zoveel pagina’s tevoorschijn haalt. Hij onderstreept vele malen dat het modernisme allesbehalve een democratische beweging was, en ook dat heus niet alle modernisten links waren, maar de meest herhaalde notie is dat veel modernisten in hun hartgrondige afkeer van alles wat burgerlijk en conventioneel was, de bourgeoisie te kort deden. Gay stelt dat de welvaart van de burgerij een honger naar kunst deed ontwaken, die het modernisme mogelijk maakte. Het waren heus niet allemaal barbaren. Tegelijk moet hij toegeven dat de meeste vernieuwers in de kunst wel degelijk te maken kregen met uitsluiting en verkettering, al was die dan vaak niet zo heftig als ze zelf deden voorkomen. Omdat Gay merkbaar weinig opheeft met veel modernistische kunstwerken, verliest hij zich vaak in veroordelingen van de karakters van de makers, zoals in het geval van de kennelijk eeuwig verongelijkte Arnold Schönberg – over zijn muziek vermeldt Gay wat lang en breed bekend is.

Omdat hij geen diepgravende opvattingen over het modernisme heeft, zoekt hij het steeds weer generalisaties, die hij vervolgens weer moet nuanceren. Zo stelt hij dat joden een beslissende invloed op het modernisme hebben gehad en meteen daarna waarschuwt hij dat die invloed niet moet worden overdreven. Met een even grote stelligheid beweert hij dat Wagner geen grondlegger van het modernisme kan worden genoemd, omdat hij in zijn opvattingen over cultuur niet vooruitstrevend genoeg was. In een later hoofdstuk zegt hij over de Noorse reactionair Knut Hamsun dat die weliswaar reactionaire ideeën koesterde, maar als schrijver een modernist in hart en nieren was. Elders benadrukt hij de zegeningen van het kapitalisme bij de culturele vorming van een massapubliek, in een volgende alinea moet hij toegeven dat commercie meestal een nivellerende werking op de smaak van het grote publiek had, in plaats van een verheffende. En zo gaat het door. Wat de beeldende kunst na 1950 betreft, beperkt Gay zich tot zijn persoonlijke vooroordelen.

Dit boek wil dus in de eerste plaats een geschiedenis zijn. Het is moeilijk in te schatten welk publiek Peter Gay daarbij voor ogen heeft gehad. Voor wie iets van het onderwerp afweet, is Het modernisme pijnlijk oppervlakkig. De leek zal niet opgewassen zijn tegen zoveel zouteloosheid.