En onder het gravel het graf

Na een proefschrift en tal van andere publicaties doet Joke Hermsen nu een poging Belle van Zuylen in fictie te vangen.

Joke J. Hermsen: De liefde dus. De Arbeiderspers. 336 blz. € 18,95

Van de tiendelige Oeuvres Complètes van Belle van Zuylen (1740-1805) heb ik maar een fractie gelezen: enkele brieven uit de roman Mistress Henley. Een levendige stijl, een montere manier van vertellen zoveel staat me er van bij. Te vergelijken met de brievenromans van Betje Wolff en Aagje Deken. Maar verder? De romans, toneelstukken en brochures van Van Zuylen worden niet veel meer gelezen. Zoals de opera’s, de liederen en de sonates die ze ook schreef, niet veel meer beluisterd zullen worden.

Joke J. Hermsen wijdde de afgelopen jaren een proefschrift en enkele beschouwingen aan haar werk. Ze doet nu opnieuw een poging om Belle van Zuylen, in haar ogen de grootste Nederlandse schrijfster van de 18de eeuw, onder de aandacht te brengen. In haar nieuwe roman, De liefde dus, belicht zij een tragische episode uit het toch al niet zo vrolijke leven van deze getalenteerde, adellijke dame.

Idool

Tot haar dertigste woonde ze in het kasteel Zuylen bij Utrecht. De rest van haar leven bracht ze, met onderbrekingen door met haar brave, veel oudere echtgenoot Charles de Charrières in het Zwitserse Colombier, samen met zijn twee ongetrouwde zusters. Daar werd ze ook begraven, op 65-jarige leeftijd. De begraafplaats moest tachtig jaar geleden, zoals Hermsen fijntjes achterin het boek vermeldt, plaats maken voor een tennisbaan. En zo ligt Belle alweer tachtig jaar onder een laag gravel, zonder grafsteen of -monument.

Hermsen koos, om begrijpelijke redenen, voor een ‘mysterieuze’ periode uit het leven van haar idool, zodat ze de vrijheid had om de historische feiten aan te kunnen vullen met verwikkelingen, overwegingen, gevoelsuitstortingen, dialogen en brieven van eigen hand. Wij zien Belle, officieel Isabella Tuyl de Charrière, in de zomer van 1785 op weg gaan van Zwitserland naar Parijs, waar de revolutie al in de maak is. Daar wil ze de omstreden arts Cagliostro, een psychoanalyticus avant la lettre, raadplegen in verband met haar ‘vapeurs en migraines’. Ze houdt een ‘compagnie de route’, een reisdagboek bij. Haar malaise wordt veroorzaakt door liefdesverdriet. De vijftien jaar jongere Charles d’Apples, met wie ze bijna twee jaar lang een hartstochtelijke liefdesverhouding had, liet haar onder druk van zijn familie in de steek. ‘Ik word’, schrijft ze in haar dagboek, ‘op de golven van mijn gevoelens heen en weer gezwiept als een stuurloze, op zee zwalkende reddingssloep.’ Deze stoere metafoor wijst vooruit naar een latere scène in het boek waarin haar voormalige geliefde in zo’n reddingssloep heen en weer wordt gezwiept op volle zee.

Natuurliefhebster

Komen we Belle van Zuylen nader in deze roman? Jazeker, maar toch ook weer niet helemaal. Hermsen is erin geslaagd een levendig en genuanceerd beeld te geven van haar heldin: driest en gevoelig, plichtsgetrouw en egoïstisch, natuurliefhebster en stadsmens. Aardig gepresenteerd zijn haar kloeke ideeën over de gelijkheid van man en vrouw en over ‘de goeie God’ die het de mensen veel te moeilijk maakt om dood te gaan. Een steeds terugkerende vraag die zij zichzelf stelt is of ze haar hart en haar gevoel moet volgen of voorrang moet geven aan een algemener belang: huwelijkstrouw, de fatsoensnormen, de eer en reputatie van de familie. Wat is, met andere woorden, de zin van het leven? Het eigen geluk, of dat van de anderen: de echtgenoot, de medeburgers, de familie? Ze komt er niet uit, maar een van de andere personages in het boek, een markies van middelbare leeftijd, weet het mooi nuchter te formuleren. Het leven is volgens hem te vergelijken met een schip op zee, omringd door niets dan water. ‘Het is er domweg, we zitten er middenin, en dus kunnen we niets anders doen dan doorgaan met roeien en het beste ervan hopen.’

De liefde dus is een levendige en gevarieerde roman met een heuse, klassieke ontknoping, gebaseerd op een noodlottig misverstand. Het scheelde maar een haartje, als wij Hermsen mogen geloven, of Belle had haar lot verbonden aan de avonturier Charles d’Apples. Dan had ze nu niet onder een laag gravel gelegen, maar misschien wel op de bodem van de Atlantische Oceaan. Maar de roman lijdt ook enigszins onder zijn schatplicht aan het 18de-eeuwse: veel lange, soms wel erg breedvoerige en plechtstatige zinnen, veel omslachtig geredeneer. ‘Ik verkeer in een zorgwekkende staat van algehele uitputting en neerslachtigheid’, zegt Belle tegen haar arts, zonder een spoor van zelfrelativering. ‘Het is niet nodig in dat opzicht iets te veinzen of de zaken rooskleuriger voor te stellen dan ze zijn.’ Het is vaak net die lichte toets, die je mist in de roman – een zweempje humor hier en daar, een neiging tot rooskleurigheid, desnoods tegen beter weten in. Hoe zit dat bij Belle van Zuylen zelf, vraag je je af. Was zij ook zo zwaar op de hand, als het erop aankwam? Kon er bij haar ook geen sprankje hoop af? Of enige zelfspot? Misschien was dat wel de geheime opzet van dit op de historische feiten veroverde liefdesverhaal: dat wij weer eens verder gaan kijken dan ons tennisracket lang is en oog krijgen voor de geschiedenis onder de gravellaag.