Einsteins biografie nu bijna compleet

Walter Isaacson: Einstein. De biografie. Vertaald door Henk Moerdijk. Nieuw Amsterdam , 656 blz. € 32,50

Begin 1931 bezocht Albert Einstein California, en toen hij bij de première van Charlie Chaplins film City Lights toegejuicht werd door het zoals overal in groten getale toegestroomde publiek, zei Chaplin tegen hem: ‘Ze juichen mij toe omdat ze me allemaal begrijpen, en jou omdat niemand je begrijpt’.

Deze anekdote onderstreept niet alleen de verering die deze wetenschapper bijna zijn hele leven ten deel viel door een publiek dat toch zo weinig begreep van zijn theorieën, maar het laat ook de moeilijkheid zien waarvoor een biograaf zich geplaatst ziet. Dat heeft velen er niet van weerhouden een poging te doen, maar Walter Isaacsons Einstein. De Biografie, is niet de zoveelste in de rij, maar steekt uit boven die tientallen eerder verschenen levensbeschrijvingen. Isaacson slaagt namelijk waar velen vóór hem faalden doordat hij al die verschillende, soms tegenstrijdige aspecten van Einsteins complexe leven tot een harmonieus geheel samen weet te brengen en daarbij toch volstrekt eerlijk de door hem zo bewonderde wetenschapper tegemoet treedt. Als hij bijvoorbeeld Einsteins eerste huwelijk beschrijft met de Servische Mileva Maric, dan is er geen ruimte voor enig begrip: Einstein verwaarloosde zijn echtgenote en zijn twee zoons, en bracht hen daardoor psychische schade toe.

Vooral aan de hand van talloze brieven biedt Isaacson een afgerond beeld van de persoonlijkheid van Einstein, die toch met zoveel mythes omgeven is. Sommige daarvan kloppen – hij deed er als kind echt langer dan normaal over om te gaan praten, en op de universiteit was hij weliswaar niet slechter dan andere studenten, maar hij kreeg als enige van zijn jaar niet direct een baan aangeboden aan een universiteit. Hier en daar gaat Isaacson wat ver en vervalt hij in de fout die hij anderen verwijt door zelf mythes in het leven te roepen. Zo is er buiten een brief waarin de dochter van zijn tweede vrouw schrijft dat ‘Albert veel van me houdt, misschien wel meer dan welke andere man op de wereld ook’ geen enkele aanwijzing voor wat voor amoureuze relatie ook tussen deze twee. Tegen Isaacsons weergave van het werk van Einstein is daarentegen weer weinig in te brengen. Als journalist – hij was ooit hoofdredacteur van het weekblad Time – schiet zijn kennis van de natuurkunde tekort en moest hij een beroep doen op anderen, onder wie de natuurkundigen Brian Greene en Lawrence Krauss die allebei hun sporen op het gebied van populair-wetenschappelijke literatuur hebben behaald. Zo ontstaat er voor het eerst een helder beeld van Einsteins 25 jaar durende, vergeefse speurtocht naar een verenigde veldentheorie, een soort Theorie-van-Alles.

Isaacson is niet blind voor de zwakheden van de man die hij zo intens bewondert. Hij beschrijft diens leven als student, vader, echtgenoot, maar ook als wereldburger, die een belangrijke rol speelde in de mondiale politiek. Einsteins tweeslachtige houding ten opzichte van het (joodse) geloof komt uitgebreid aan de orde.

Is dit dan de definitieve Einstein-biografie? Dat kan haast niet. Het Einstein Papers-project, dat alle documenten van Einsteins hand documenteert en annoteert, is nog lang niet klaar en iedere nieuwe ontdekking van een brief of manuscript met zijn naam erop, zoals twee jaar geleden in Leiden, is wereldnieuws.

Daarbij zijn er ook nog documenten die niet openbaar gemaakt mogen worden, zoals zijn echtscheidingpapieren. Er is dus ruimte volop voor nieuwe biografen, al hebben ze vanaf nu terdege rekening te houden met Isaacsons meesterwerk.