Een schrijver op rooftocht

Leidt de hoofdpersoon in Amos Oz’ vroege roman ‘Mijn Michaël’ een droevig leven, in zijn recente ‘Verzen van het leven en de dood’ laat Oz hem in de volle bloei van zijn scheppingskracht zien.

Amos Oz: Verzen van het leven en de dood. Vertaald door Hilde Pach. De Bezige Bij, 157 blz. € 16,90

Amos Oz: Mijn Michaël. Vertaald door Hilde Pach. De Bezige Bij, 285 blz. € 15,–

Vlak voor het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog in 1968 publiceerde de Israëlische schrijver Amos Oz Mijn Michaël, de roman die zijn doorbraak betekende en de opmaat tot de positie de hij tegenwoordig in het internationale literaire landschap inneemt. Voor veel van zijn lezers blijft die eerste kennismaking een cruciale titel in zijn oeuvre, vergelijkbaar bijvoorbeeld met de plaats die Portnoy’s Complaint inneemt in het werk van Philip Roth.

Mijn Michaël werd, in de maanden die voorafgingen aan Israëls confrontatie met Syrië, Egypte en Jordanië, waarschijnlijk gelezen als een metafoor voor de positie waarin de staat Israël zich bevond. Geschreven tussen 1960 en 1967, speelt het boek zich af tegen de achtergrond van de Suez-crisis van 1956. Het is het relaas van het failliet van een huwelijk en bevat al elementen uit Oz’ magistrale Een verhaal van liefde en duisternis uit 2005.

De sfeer in Mijn Michaël is benauwend, hallucinerend en op het waanzinnige af. Als lezer bekruipt je voortdurend de behoefte de ramen wijd open te zetten. Dat komt omdat Oz het vertelperspectief legt bij een 30-jarige vrouw die schrijft ‘omdat de mensen die ik liefhad al gestorven zijn, omdat ik als meisje heel veel kracht in me had om lief te hebben en mijn kracht om lief te hebben nu stervende is’. Niet dat haar man, haar zoon of haar moeder dood zijn – nee, die zijn springlevend. Zijzelf is degene die het aan levenslust ontbreekt en die, na jarenlang aan wat wij nu (postnatale) depressies noemen te hebben geleden, het hoofd in de schoot legt.

Toen ze in 1950 de geologiestudent Michaël ontmoette was de vertelster begin twintig en studente Hebreeuwse literatuur, waarin ‘vaak de strijd tussen het licht en de duisternis wordt beschreven’. Ze houdt van de duisternis ‘omdat die levender en warmer is dan het licht.’ De man met wie ze trouwt, Michaël, is gesloten, ‘grijs en beheerst’, kalm, rustig, stabiel, voorbestemd voor een degelijke wetenschappelijke carrière. ‘De rust van zijn lichaam terwijl hij spreekt over de uitbarsting van vulkanische krachten’.

Strogoff

De vertelster kent noch de rust van het lichaam, noch die van de geest. Haar lichaam verlangt naar heftig nachtelijk genot, haar geest schreeuwt om uitdaging maar vindt, ondanks haar aanleg voor dichterschap, geen creatieve uitlaatklep. Haar energie en levensvreugde lopen dood op de saaiheid van haar bestaan en tijdens de altijd eendere dagen vlucht ze in gewelddadige of erotisch getinte dromen gekleurd door haar vroegere literaire helden: Michaël Strogoff, kapitein Nemo en figuren uit de romans van Dickens. Haar gekooide levenskracht wordt gespiegeld in de steeds herhaalde neerslachtige sfeer in Jeruzalem, die ‘op ieder moment en in elk seizoen treurig maakt’, een ‘schrijnende stad’, van een ‘onmetelijke zwaarte’. ‘Jeruzalem is een stad van gesloten binnenplaatsen, haar ziel verzegeld achter sombere muren, met scherpe glasscherven erbovenop. Jeruzalem bestaat niet. Met opzet zijn er kruimeltjes uitgestrooid om onschuldige mensen te misleiden’.

Misleid voelt de vertelster zich, bedrogen en verbannen. De tijd ‘was geen vaste, gelijkmatige stroom meer’. ‘Zou werkelijk iedereen zich verzoend hebben met de tijd en met de intentie, met de inspanningen, de volharding, het doel en de prestatie’? Zo niet deze vertelster, ook al gaat zij er zelf aan ten onder. Hoe universeel het thema ook is, Mijn Michaël is een roman die vastgeklonken is aan de tijd waarin hij is geschreven. In die context krijgt hij zijn betekenis en geeft hij inzicht in de bedreigende chaos waarin de inwoners van Jeruzalem toen moeten hebben geleefd: de Zesdaagse oorlog die zich aankondigde legde de basis voor de spanningen in de regio die voortduren tot op de dag van vandaag. Het type vrouw echter – onderdanig, zichzelf wegcijferend, dienstbaar – waaraan Oz zijn cruciale vertelperspectief schenkt, behoort overduidelijk tot de jaren vijftig en de tijdgeest van toen. In die zin doet de roman, de politieke context ten spijt, enigszins gedateerd aan.

Dat is niet het geval bij de andere onlangs in het Nederlands vertaalde roman, Verzen van het leven en de dood, die veertig jaar later is geschreven. Weg is de obsessie met de duisternis, verdwenen de depressie, humor en relativerende afstandelijkheid zijn mogelijk geworden. In deze roman gunt Oz, de gelauwerde schrijver, zijn lezer een blik in de keuken van zijn verbeelding. De lezer mag op zijn tenen, net over het randje, in zijn hersenpan kijken, associaties zien opkomen, zijn verbeelding zien opstarten en verhalen zien groeien. Zo zit zijn alter ego, een schrijver op weg naar een publiek optreden, nog even in een café en bereidt hij zich voor op het salvo van vragen dat er op hem zal worden afgevuurd: ‘Schrijft u rechtstreeks vanuit uw inspiratie? Ontleent u het materiaal voor uw verhalen aan de verbeelding of rechtstreeks aan het leven? Bent u een geëngageerd schrijver, en zo ja, ten gunste van wie? Waarom hebt u zowel uw eerste als uw tweede vrouw in de steek gelaten?’

Intussen neemt hij de tijd de mooie benen van de serveerster te observeren. ‘Terwijl hij op de omelet wacht, stelt de schrijver zich de eerste liefde van deze serveerster voor (hij besluit dat ze Riki heet): toen ze nog maar zestien was, werd ze verliefd op de reservedoelman van de voetbalclub Bnee Jehoeda, Charlie.’ De auteur stelt zich voor hoe deze Riki aan de kant wordt gezet voor een ander, wie dat is, hoe dat gaat en welke invloed dit op haar latere leven zal hebben.

Aan een ander tafeltje zitten ‘twee heren die geen haast hebben’. De schrijver neemt aan ‘dat de een een onbetekenende tussenpersoon is of misschien agent/distributeur van haardrogers. De belangrijkste heer noemt de schrijver bij zichzelf meneer Leon, terwijl de pluimstrijkende man Sjlomo Choegi zou kunnen zijn’. Ook de mensen over wie deze heren spreken krijgen van Oz namen, ziekten, overspelige vrouwen en een heel scala obstakels voor een aangenaam leven. Hun levens kruisen die van de verbeelde personen uit het leven van Riki en als de schrijver eindelijk besluit naar zijn publieke optreden te gaan heeft hij al een hele wereld bij elkaar verbeeld en verzonnen.

Dat proces raakt in een stroomversnelling als hij, eenmaal in de zaal gearriveerd, zijn publiek beziet. ‘Verdiept in zijn gebruikelijke zwendel’ eigent hij zich hun geschiedenis toe, ‘alsof hij hun portemonnees rolt’ rooft hij hun affaires, hun zwakten en obsessies.

Schaamte

De man die hem bij het publiek introduceert citeert een rijmpje van de dichter Tsefanja Beet Halachmi, Boemek Schuldenfrei: ‘Er is geen bruidegom zonder bruid/ en geen theepot zonder tuit’. Het is afkomstig uit een vroegere ‘rubriek op rijm’, getiteld de ‘verzen van het leven en de dood’, waarin de dichter alle problemen van zijn tijd behandelde: ‘de opvang van immigranten, de doorgangskampen, de verovering van de woestijn, de woningnood, de grensschermutselingen’ etc. Ook schreef hij, wat melancholieker, over ‘de aard van alle dingen om langzaam maar zeker te verslijten of te verwelken’.

Terwijl de schrijver steeds meer in zijn verbeelding opgaat en zich na zijn optreden laaft aan een imaginaire vrijpartij, wordt hij ook steeds meer door twijfel bekropen: ‘Waarom schrijven? Wie heeft er wat aan?’ Schaamte bevangt hem als hij bedenkt dat anderen voor hem in wezen alleen maar bestaan als voer voor zijn verhalen. Tegelijkertijd wordt hij gegrepen door ‘een hartverscheurende bedroefdheid om zijn eeuwige afzijdigheid, om zijn onvermogen om aangeraakt te worden en aan te raken’.

‘Schrijven over dingen die er zijn [...] dat is eigenlijk ook een beetje zoals Schubert spelen terwijl Schubert in de kamer zit en misschien bij zichzelf grinnikt in het donker: Groen en leeg hier. Rust./ Slechts een raaf zit verstard op een steen./ Twee cipressen groeien bijna samen./ Een derde groeit alleen’.

Eenzaamheid is wat beide nieuw vertaalde romans bindt, over een periode van veertig jaar heen. In Mijn Michaël was de route naar creativiteit geblokkeerd, vonden de wanhoop en de eenzaamheid van de vertelster geen uitweg. Verzen van het leven en de dood laat juist de volle bloei van de scheppingskracht zien. Ook die is geënt op eenzaamheid.