Driehonderd agenten, geen fans

Kosovo staat op het punt de onafhankelijkheid uit te roepen. Een Servisch basketbalteam probeert de gedachte aan een multi-etnisch Kosovo levendig te houden.

Wereldtitels in 1970, ’78 en ’90, olympisch goud in 1980. Joegoslavië is een land met een rijk basketbalverleden. Dat Serviërs en Albanezen elkaar op het sportveld ontmoeten is vanzelfsprekend tot president Slobodan Milosevic in 1989 beslist om de Kosovaarse autonomie terug te schroeven. Albanese Kosovaren worden ontslagen uit het onderwijs, de politie, het bestuur, de media, het culturele leven, de industrie. De Kosovaren, voor negentig procent etnische Albanezen en overwegend moslims, bouwen als reactie een schaduwsamenleving op met een eigen regering en parlement, scholen en ziekenhuizen. En sport.

„Sinds 1993 bestaan er Kosovaarse sportstructuren, onafhankelijk van de Servische, waarin Albanezen onder elkaar sporten”, zegt Erolld Belegu, voorzitter van de Kosovaarse Basketbalfederatie FBK. Hij heeft er mee voor gezorgd dat BC Bambi kon toetreden tot de Kosovaarse Superleague, de hoogste basketbalklasse. FBK week af van de procedures, omdat het Bambi ziet als een symbool voor een vreedzaam, multi-etnisch Kosovo. „Bambi kreeg een wildcard op voorwaarde dat de club in alle steden in Kosovo zou spelen”, zegt Belegu. Uniek, want in Kosovo zijn de topcompetities in basketbal, voetbal en zelfs schaak een puur Albanese aangelegenheid.

Door het bloedvergieten zit het wantrouwen tussen de vijf procent Serviërs en de Albanese meerderheid diep ingebakken. In Mitrovica, thuisstad van BC Bambi, is de spanning zichtbaar. Mitrovica ligt in het noorden van Kosovo, dichtbij de Servische binnengrens. Het ‘Berlijn van de Balkan’ is door de rivier Ibar verdeeld in noord en zuid, met als belangrijkste verbindingspunt de door NAVO-troepen bewaakte centrale brug. De stad is hét demarcatiepunt in het conflict, want van de honderdduizend Serviërs die Kosovo nog rijk is, wonen er 40.000 in Noord-Mitrovica. Door intimidatie en terreur hebben ze daar de macht in handen: de Albanezen die er halsstarrig zijn blijven wonen durven niet verder te gaan dan een paar straten rondom hun huis. Tegenover de Servische verzetshaard ligt Zuid-Mitrovica, Albanees gebied. Daar staat de betonnen bunker, de Minatori sporthal waar Bambi als oorspronkelijk Noord-Mitrovese club de thuiswedstrijden afwerkt.

En niet zonder risico. De eerste wedstrijd van Bambi, tegen Trepca, moest eind 2006 worden uitgesteld wegens onvoldoende veiligheidsgaranties. „Om problemen door samenscholing te vermijden vraagt de politie dat supporters ruim op tijd komen. De deuren gaan open drie uur voor de wedstrijd begint en iedereen wordt bij de ingang gecontroleerd”, schreef het Albaneestalige dagblad Bota Sot. Maar Miomir Dasic, voorzitter en trainer van Bambi, had de dag voor het eerste duel doodsbedreigingen gekregen van Servische nationalisten uit Noord-Mitrovica. Uit schrik kwamen de spelers van Bambi niet opdagen, met een ‘papieren’ uitslag als gevolg: 20-0 voor Trepca. Een sportieve opdoffer en vooral een valse start van een reïntegratieproject.

„In het begin dachten we dat Dasic redenen zocht om niet te moeten spelen”, zegt bondsvoorzitter Belegu. „Maar toen ik contact opnam met de politie en de VN die de zaak onderzochten, bleek het ernstig. Hoewel we ook voorbereid waren op problemen met Albanezen, zijn bijna alle bedreigingen tot nu toe uit Servische hoek gekomen. Uit Noord-Mitrovica, want de Serviërs buiten Kosovo liggen er volgens mij niet wakker van.”

Lang niet alle Serviërs verfoeien Bambi. Predrag Nicic woont in Gracanica, een besloten Servische enclave in Kosovo waar geen etnische Albanezen wonen, met Servisch geld kan worden betaald en cyrillische opschriften het straatbeeld kleuren. Zelf behoort Nicic niet tot de hardliners, vrienden van hem wel: „Terwijl we op tv naar een wedstrijd keken van Bambi ontstak een aantal in woede. ‘Klootzakken! Jullie spelen tegen die verdomde Albanezen’ . Dasic en Bambi zijn in hun ogen verraders van Servië. Bambi heult met de vijand en speelt de Albanese Kosovaren politiek in de kaart, redeneren zij.”

Miomir Dasic bevindt zich te midden van de politieke storm. In Servië noemen ze hem ‘shiptar’ – een scheldwoord waarmee Albanezen worden aangeduid. „Meermaals hebben de lokale potentaten in Noord-Mitrovica gedreigd mij en mijn familie te vermoorden. Op een politieke meeting van vijfduizend Servische nationalisten riep de spreker dat ‘nestbevuilers als Dasic geëlimineerd moeten worden’ en werd ik vogelvrij verklaard. Mijn leven staat op het spel, want er moet maar één gek tussen zitten en het is met mij gedaan. Vorig jaar is mijn auto voor mijn deur ontploft en mijn huis met graffiti beklad: ‘Speel niet, Servië ziet u. Dit is de laatste waarschuwing’.” De toestand wordt zo zorgwekkend dat Dasic politiebescherming krijgt.

Op straat komen landgenoten de voorzitter-trainer feliciteren en hem snel een hand geven, maar ze willen niet gezien worden uit vrees voor de Servische sociale controle. „Zeventig procent van Noord-Mitrovica staat achter ons, maar niemand durft die steun openlijk te betuigen”, zegt Dasic. Tijdens wedstrijden moet Bambi het zien te rooien zonder ook maar één supporter. Ze zijn er wel, maar durven niet te komen.

Om veiligheidsredenen traint het team in Kraljevo, een Servische stad buiten Kosovo, 140 kilometer ten noorden van Mitrovica. De maatregelen voor de wedstrijden zijn indrukwekkend. Dasic: „In het begin was er een politiemacht van driehonderd man; dat aantal is nu niet meer nodig. Alleen in Mitrovica is er meer politie dan publiek, want daar kan één incident opnieuw geweld ontketenen. Tot de onderhandelingen over Kosovo zijn afgerond worden de spelers van Bambi voor elke wedstrijd vanuit Servië naar Kosovo geëscorteerd, op verschillende tijdstippen langs een van de drie grensovergangen. Welke precies, dat beslist de Kosovaarse politie op het laatste moment.”

Geen enkele speler woont permanent in Kosovo. Het zijn vooral Servische studenten die hun brood verdienen met basketbal en alleen naar Mitrovica komen om examen te doen of te spelen. Eens woonden ze in Kosovo, nu verblijven ze in Servië als IDP’s, ‘intern verplaatste personen’.

Toch zijn veiligheidszorgen niet de grootste bedreiging voor deelname van Bambi aan de Kosovaarse competitie. „Als de pioniersclub de Superleague moet verlaten is het om financiële redenen”, zegt bondsvoorzitter Belegu. Sponsors zijn moeilijk te vinden voor alle teams, maar Bambi heeft het extra moeilijk. Dasic: „Servische bedrijven vinden ons te controversieel, en Albanese bedrijven verfoeien al wat Servisch is. Wij zijn geheel afhankelijk van overheidsgeld, tv-inkomsten en internationale donoren. Het is vechten om te overleven. Voor dit jaar heb ik maar zeven spelers.”

Ondanks die hindernissen is Bambi een lichtpuntje voor multicultureel Kosovo. Vorig seizoen speelde het team twintig duels in tien steden zonder een incident. „Het was te mooi om waar te zijn”, zegt Belegu. „De federatie heeft Bambi geaccepteerd en blijkbaar zijn de Albanese basketbalfans gevolgd. Bambi toont aan dat we elkaar beginnen te vergeven. Vroeger leefden we hier vreedzaam samen, ik weet dat dat ook in de toekomst zo zal zijn.”

Belegu en Dasic putten hun hoop en kracht uit één symbolisch kippenvelmoment: de match tegen BKP Kastrioti Ferizaj, oktober 2006. „Het was heel spannend. Duizend Albanezen vuurden hun team aan, terwijl Bambi moederziel alleen het beste van zichzelf gaf. En won. We waren op het ergste voorbereid, maar we kregen een staande ovatie. Uit respect. De voldoening die ik toen voelde kan ik met geen woorden beschrijven”, herinnert de trainer-voorzitter zich.

Is Bambi voor optimisten een succesvol integratieproject, voor anderen toont het de grenzen van het haalbare aan. „In de toekomst hebben we hopelijk geen Servisch team, maar Serviërs in alle teams”, zegt Belegu. Dasic en Belegu, een Servische en Albanese Kosovaar, zien hun toekomst in een multi-etnisch Kosovo. „Ik weet niet of ik zou durven wat Dasic doet”, zegt Belegu. „Onwaarschijnlijk moedig, sommigen zeggen ronduit geschift.” Zelf blijft Dadic nuchter. „Ik ben geen zendeling, gewoon iemand met een passie voor basketbal die vecht voor een betere toekomst. Die jongeren probeert af te houden van alcohol en drugs. Vandaag doen we dat met basketbal, morgen met andere sporten. Meer sport en minder politiek, dat is de weg die we moeten volgen. Sport kent immers geen grenzen.”