De mooiste haring

Het Frans Hals Museum toont een verrassend overzicht van een zeventiende-eeuwse schildersfamilie: vader Salomon de Bray en zijn zonen Jan, Joseph en Dirck.

Het vak van courantier had de wind mee in de zeventiende eeuw. Dat kun je afleiden uit het ongedwongen portret dat Jan de Bray in 1663 schilderde van Abraham Casteleijn, de drukker en uitgever van de Weeckelycke Courante van Europa, een voorloper van het Haarlems Dagblad. Abraham en zijn vrouw zijn ingetogen maar geraffineerd gekleed en zitten er bij met een aan stadgenoot Frans Hals herinnerende zwier. Abraham is een man van de wereld: een globe op de achtergrond, het borstbeeld van de vermeende uitvinder der boekdrukkunst Laurens Jansz Coster in de hoek en folianten en paperassen op een tafeltje. Opgeruimd, energiek, klaar voor een interview met een eigentijdse glossy.

Dit schilderij is er een van vijftig op de tentoonstelling in het Frans Hals Museum over de schildersfamilie De Bray (vader Salomon en zonen Jan, Joseph en Dirck). Zij behoren tot de meesters die altijd in de schaduw stonden van de grote drie, Hals, Rembrandt en Vermeer. Toch zijn ze nooit vergeten en vorig jaar hingen vier van hun werken in het Mauritshuis op de portrettenexpositie Hollanders in beeld.

Schildersfamilies kwamen in de zeventiende eeuw vaker voor. We kennen de families Hals en Ruysdael en ook de Ter Borchs uit Zwolle. Maar elk van de De Brays was meer dan schilder. Vader Salomon (1597-1664) was ook architect, hij verkeerde met letterkundigen en schreef gedichten. Hij legde zich toe op historieschilderen, het uitbeelden van klassieke en bijbelse taferelen. Dat zijn faam in Haarlem groot was, blijkt uit de vele opdrachten die hij kreeg van particulieren, de overheid, de kerk en het hof. En dat hoewel hij katholiek was. Voor Haarlem ontwierp hij ondermeer de classicistische gevel van het stadhuis op de Grote Markt en een nieuwe stadspoort.

Voor particulieren schilderde Salomon historiestukken en portretten; voor schuilkerken bijbelse taferelen. Zijn vroege werk doet denken aan de Utrechtse schilders die onder invloed van Caravaggio de hoofdfiguren van nabij sterk uitlichtten. In zijn latere werk gaf hij de handelende personen van een afstand weer waardoor we meer van hun omgeving zien. De compositie is altijd uitgebalanceerd, de lichamen zijn geïdealiseerd – al liet De Bray ruimte over voor individuele trekken; het licht is bekwaam gedoseerd. Een warm koloriet is een kenmerk van Salomon en zijn zonen.

Salomon de Bray heeft zijn zonen opgeleid in zijn atelier. Zoon Jan domineerde de tweede helft van de zeventiende eeuw de schildersmarkt in Haarlem. Zeker toen Johannes Verspronck in 1662 was overleden en Frans Hals, vader Salomon en Jans schilderende broer twee jaar later aan de pest waren bezweken. Jan schilderde zowel de regenten van het Armekinderhuis als van Leproos-, Pest- en Dolhuis. Op een schilderij van het bestuur van het schildergilde komt hij zelf voor. In het stadhuis hangen nog altijd drie van zijn historiestukken waaronder het Oordeel van Zalaucas, het verhaal van een voorbeeldige Romeinse rechter, dat nu op de tentoonstelling is te zien.

Verschillende malen heeft

Jan de Bray familieleden geportretteerd. Een mooi voorbeeld is het historiestuk Antonius en Cleopatra waarop de hele familie (deels postuum) is afgebeeld. Het dubbelportret van zijn ouders is even indrukwekkend: twee mensen van wie de genuanceerd weergegeven huidskleur, haren en kraag prachtig contrasteren met de donkere kleding.

De personen op de schilderijen van Jan de Bray, zowel de geportretteerden als de personages op de historiestukken, zijn allemaal een beetje gedrongen. De koppen hebben een bijna geboetseerd volume met krachtige neuzen en de handen zijn ferm. Ze ontberen de zwierigheid van Frans Hals, maar streng of somber zijn ze niet. De uitgever Casteleijn zit er feestelijk bij met zijn vrouw. En op De vinding van Mozes – toch een serieuze zaak – zien we achter de rug van de dochter van de farao het bolle hoofd van een jongetje dat ons olijk aanstaart. Zo weet hij serieuze voorstellingen vaker te relativeren door een bijfiguur die zijn blik op de kijker richt.

In kinderen was Jan de Bray sterk. Verrassend zijn vier anonieme ovale portretjes van twee ouders en twee kinderen. Het kleine formaat en de sierlijk gesneden lijst zijn evenzogoed hoogtepunten op deze tentoonstelling als de grote regentenportretten.

Van de twee jongere zonen,

Joseph en Dirck, is minder bekend. Ze blonken uit in het schilderen van bloemstillevens en Dirck bovendien in de prentkunst. Daarvan is op de tentoonstelling helaas niets te zien, evenmin als van de tekeningen. Van Joseph hangt er een mooi en origineel werk: een geschilderde en geschreven lof op de zoute haring. Het toont de mooiste haring die door een Nederlandse schilder is vereeuwigd. Zilvergrijs glanzend in parten gesneden ligt hij op een houten bord. Daaromheen op het damasten tafelkleed, staan twee glazen bier, een kan, een bord met boter, een mes, brood en een schaaltje zout. Deze knappe compositie is al meer dan voldoende voor een ‘banketje’ zoals die stillevens toen heetten. Maar dit is alleen nog maar de voorgrond. Het hoofdonderwerp is het in een plaquette gegraveerde gedicht ‘Lof van den Pekelharing’ dat geflankeerd wordt door twee haringen waarvan er één een dood maar waakzaam oog op de kijker gericht houdt. Het bevat raadgevingen en aanprijzingen die in een modern gezondheidsboek niet zouden misstaan. Schilderij en gedicht (geschreven door een oom van Joseph de Bray) vormen samen een sublieme ode op de haring, een van de vele meesterwerken van deze familie.

‘’t Zit in de genen! Vier schilders in één gezin: Dirck, Jan, Joseph en Salomon de Bray’. Frans Hals Museum, Haarlem. T/m 22 juni. Catalogus, uitg. Waanders, 160 p., € 24,95)